Het was een prachtige dag toen de man en de vrouw aan de keukentafel zaten. ‘Het lijkt wel lente’, zuchtte de vrouw. ‘Over een week of wat hebben we de zomer alweer te pakken. Weet je nog, vroeger? Toen zaten we buiten op mooie dagen. Wat hebben we vaak in de tuin gegeten!’ De vrouw glimlachte weemoedig. De man tegenover haar knikte. ‘Ik weet het vrouw. Ik weet het. Gouden tijden waren dat. Gouden tijden.’

‘En je ouders vonden het zo fijn bij ons. Wat kwamen ze vaak langs! Dan zei je vader: ‘Jongen, wat ben ik trots op je, dat je dit van de boerderij hebt gemaakt!’ Je moeder zei niet veel maar je kon zien dat ze genoot.’ De man knikte. ‘Ja. Mooi was dat.’ Hij staarde peinzend voor zich uit en herhaalde: ‘Ja, mooi was dat.’

‘En de kinderen! Wat hebben die geravot op het erf! Ik zie ze nog voor me, met hun tenten en driewielertjes.’ De vrouw viel stil. ‘Het lijkt alsof het gisteren was’ mijmerde ze.

‘Alsof het gisteren was’ beaamde de man. Hij roerde in zijn koffie en nam een slokje.
‘Volgens mij is ‘ie wat koud geworden. Zal ik nieuwe bijschenken?’ vroeg de vrouw.
De man knikte. ‘Doe maar.’
De vrouw stond op van tafel. ‘En we vonden het nooit erg dat we niet met vakantie konden gaan, weet je nog? Hier wonen was voor ons genoeg. Meer hadden we niet nodig.’
De man knikte en keek naar buiten. De vrouw zette de koffie voor hem neer en volgde zijn blik. ‘Wat een prachtige dag is het hè? Vroeger ging ik even buiten zitten als het dit weer was. Op het bankje voor de deur. Dan zei ik tegen je: ‘Kom pa, kom er even bij zitten.’ Weet je nog?’

De man glimlachte. ‘Dan zei ik: ‘Straks ma. De arbeid gaat voor’. Dat zei ik dan.’

‘Die tijd komt nooit meer terug denk ik’ zei de vrouw. ‘Zullen we ooit nog eens buiten eten met z’n allen? Zullen we onze toekomstige kleinkinderen hier ooit durven te laten ravotten?’
De vrouw keek de man aan. In haar ogen lag verdriet. En wanhoop. De man durfde de vrouw nauwelijks aan te kijken. Hij wou niet dat ze zijn verdriet en wanhoop zag. Daarom keek hij gauw weer naar buiten.

Ook nu volgde de vrouw zijn blik. In de verte zagen ze dat de rook van de Omrin* als een gebalde vuist de lucht in gestoten werd.
De vrouw zuchtte. ‘Het is maar goed dat je ouders dit niet meer meegemaakt hebben’, fluisterde ze.
De man knikte. In gedachten hoorde hij de plaatselijke politici zeggen dat er niets aan de hand was. ‘Er liggen voldoende rapporten waaruit blijkt dat alles in orde is’, werd vaak gezegd. De man snoof zachtjes. In Groningen was er immers ook niets aan de hand. Hij dacht aan het politieke debat in Trebol waarbij de burgervader en de kopstukken van onze volksvertegenwoordigers opriepen om vooral te gaan stemmen. Het zou allemaal heus wel goed komen!

Opeens had hij het gevoel dat zijn keel dichtgeknepen werd.
‘Ja’, mompelde hij. ‘Inderdaad, gelukkig hebben zij dit niet meer hoeven te zien.’
De vrouw pakte over de tafel de hand van de man. Beiden zwegen. De zon scheen uitbundig en de vogeltjes vlogen af en aan. De lente hing in de lucht. Ja, het was werkelijk een prachtige dag

——————–

Omrin: afvaloven waar de bewoners van Harlingen en Midlum allesbehalve blij mee zijn.
(Uitzending Zembla op 13-03)