Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan haar denk. Dat ik niet denk aan die die mooie zaterdag in augustus toen ik haar daar achterliet. De mussen vielen van het dak, zo heet was het, en een ieder snakte naar wat verkoeling. Als ik mijn ogen sluit zie ik haar weer in mijn achteruitkijkspiegel. Ik stak mijn hand nog op maar ze zwaaide niet terug.  Misschien had ze niet eens door dat ik ging.

‘Weet je zeker dat je niet meegaat?’ vroeg ik die ochtend nog, maar ze werd kwaad.

‘Je begint een saaie eikel te worden’ had ze me woest toegeschreeuwd. ‘Toen we hierheen kwamen zat er nog wat pit in je maar God man, wat ben je toch ongelooflijk duf.’
‘Toen we hierheen kwamen was de situatie anders’, weerlegde ik. ‘Maar nu…’
‘Nu wat?’ gilde ze.
‘Het gaat mis met ons’, zei ik terwijl ik kalm probeerde te blijven. ‘Je bent constant van de wereld. Ik geef toe dat het leuk is maar het gaat te ver.’

Ze haalde nonchalant haar schouders op. Ze zag er slecht uit. Haar lange haar hing los en onverzorgd op haar rug en haar gezicht was bleek.

Ik verliet haar niet écht. De bedoeling was dat ze me zou missen. Dat ze zich realiseerde dat… Ach ja. Ze liep met me naar beneden. ‘Ik ga bij Charles wonen’, zei ze achteloos en ik haalde mijn schouders op. ‘Succes ermee’, zei ik. Ik kende Charles Manson niet goed maar die blik in zijn ogen vertrouwde ik niet.

Het was augustus 1967. Ik reed weg en zij bleef. Op straat liepen de mensen met bloemen in het haar en Scott MacKenzie’s liedje kon je overal horen. In de lucht hingen Hoop & Blijdschap. Vooral Hoop.
Diezelfde middag overleed ze aan een overdosis.

———————–

Bij WE300 van Plato is het de bedoeling dat je een verhaal schrijft van 300 woorden waarin een bepaald woord – ditmaal ‘Scoren’ – niet voorkomt.
Meer bijzondere, mooie en ontroerende verhalen vind je op: http://platoonline.wordpress.com/