Bron: Pixabay

Bron: Pixabay

Het was ijzig koud in het torenkamertje, net zoals het in de rest van het huis ijzig koud was. Ze zat in een oude, aftandse fauteuil voor het raam en staarde met een doffe, holle blik naar buiten. De tot op de draad versleten plaid die ze om zich heen gewikkeld had bood weinig soelaas – ze was tot op het bot verkleumd.

‘Ik zal er zo op uit moeten om hout te halen’ dacht ze en ze rilde bij de gedachte het huis te moeten verlaten. In de verte hoorde ze het heen en weer klepperen van enkele luiken tegen het houtwerk van het vervallen huis en haar hart kromp ineen. ‘Dat het zover met ons huis heeft moeten komen. Dit had nooit mogen gebeuren.’
Haar mond verstrakte zich enigszins bij die gedachte. ‘Dit had nooit mogen gebeuren – ach ja, er waren wel meer dingen die nooit hadden mogen gebeuren.’ Ze glimlachte wrang en haar mond werd een stroeve, dunne streep.

Op het tafeltje dat naast de fauteuil stond lag een fotoalbum. Gedachteloos pakte ze het album op en snoof verachtelijk toen ze een foto van haar zusters onder ogen kreeg. Zelf stond ze ook op die foto, als peutertje. Gedrieën keken uit het raam van dezelfde kamer waar ze zich nu bevond. Ze kon zich niets meer herinneren van de dag dat die foto gemaakt werd – natuurlijk niet, ze was nog veel te klein – maar ze voelde de boosheid en minachting opborrelen terwijl ze naar haar zusters keek.

‘Wat een gemene krengen waren dat toch’ schoot het door haar heen en ze voelde hoe haar ademhaling zich versnelde. Gauw klapte ze het album dicht.

Spijt. Moest ze spijt hebben? Spijt hebben van de vreselijke dingen die ze gezegd had in haar boosheid en woede toen, die ene keer? Moest ze spijt hebben omdat ze in de jaren die daarop volgden weigerde toe te geven dat ze fout zat? Weigerde om eens kritisch naar zichzelf te kijken? Ze verviel even in somber gepeins. ‘Spijt. Ha! Nooit zal ik toegeven. Nooit!’ Er was haar teveel leed aangedaan. Ze hadden haar té onheus behandeld. Zelfs toen ze hoorde dat haar zusters kort na elkaar waren overleden had ze geen spijt. ‘Er viel niets meer te zeggen. Ze waren er alleen maar op uit me kapot te maken.’

Het dak van het vervallen huis kraakte vervaarlijk en een windvlaag stompte tegen muren. Het vlammetje van de kaars die op het tafeltje stond flakkerde onrustig en het klepperen van de luiken werd steeds heviger.

Ze fronste. Werkelijk, zo’n noodweer had ze nog nooit meegemaakt. Ineens was er een felle bliksemschicht, gevolgd door een harde klap. Het klepperen van de luiken, dat ze steeds probeerde te negeren, begon gewelddadige vormen aan te nemen en de wind bonkte en beukte tegen het huis, als moest het vanavond nog tegen de vlakte.

Weer volgde een enorme bliksemschicht en de klap die erop volgde was oorverdovend. Tegelijk met de laatste klap werd ze overvallen door een vreemd, helder inzicht en met het openen van de hemelsluizen kwamen ook haar tranen. Voor het eerst in haar hele leven huilde ze.  Met gierende uithalen snikte ze, onstuitbaar. Ze pakte het fotoalbum op en terwijl de tranen drupten op het vergeelde fotopapier riep ze hartstochtelijk, met overslaande stem: ‘Het spijt me. Het spijt me zo verschrikkelijk’ maar er was niemand die het hoorde. Of ooit nog horen zou. Het was allemaal veel te laat.