Het is vandaag precies 6 jaar geleden dat ik mijn mooie kleine Scarlet in puin reed. Nog vaak denk ik aan haar en telkens weer word ik overvallen door spijt en wroeging. Ik deed het niet expres – nee, natuurlijk niet – en altijd als ik een kleine rode Suzuki zie moet ik even slikken.

Scarlet was nog niet zo lang in mijn leven toen ze alweer verdween. In februari kreeg ik haar cadeau van manlief en in september lag ze op de schroothoop. Total loss.

‘Er heeft een engeltje op je schouder gezeten’ riepen veel mensen in die tijd en die wetenschap deed me vaak beven van narigheid. ZO snel kan het dus gaan. Zo godsgruwelijk snel kan het afgelopen zijn. Het is een vreselijke gedachte.

Op vrijdag 21 september 2007 reed ik ’s avonds naar huis en ontdekte dat er een grote wegomlegging was. De bedoeling was dat ik de gele borden met daarop de letter ‘H’ volgde. Dat wilde ik wel. Ik kwam ze alleen niet tegen.

Toen begon de ellende. Voordat ik het wist reed ik op totaal onbekende provinciale weggetjes zonder straatverlichting maar MET tegemoetkomend verkeer.  Op die smalle wegen mag er ook nog eens 100 km gereden worden en ik kon mijn geluk niet op. Wat een nachtmerrie.

Steeds verder raakte ik van huis en ik zag maar geen geel bord met daarop een ‘H’. Ik zag überhaupt geen bord. Op een gegeven moment dacht ik: ‘als dit zo door gaat zet ik de auto aan de kant en bel de politie.’

Ik reed verder en zat voor mijn gevoel al tegen de Duitse grens toen een ambulance me met hoge snelheid passeerde. ‘Als die mij verderop maar niet opwacht’ dacht ik, pessimist met een hoog dramaqueen gehalte.

Nog verder reed ik en ik had er genoeg van. ‘Ik kom nooit thuis vanavond,’ bedacht ik me somber.

Toen zag ik een geel bord! Bij een schaars verlicht kruispunt verderop bleek ik linksaf te moeten slaan. Keurig, zoals het hoort, zette ik mijn richtingaanwijzer aan, ging in het voorsorteervak staan en stak de weg over, linksaf, op weg naar huis.

Het had goed kunnen gaan.
Ik had thuis kunnen komen die avond.
Ik had Scarlet nog steeds kunnen hebben.

Maar het ging niet goed.
Ik kwam niet thuis die avond.
En Scarlet werd later total los weggesleept.

Toen ik de weg overstak was ik zo ontzettend opgelucht omdat ik – eindelijk – een bord zag, dat ik de tegenligger – een zwarte Audi die er met hoge snelheid aankwam – gewoon niet zag. Vraag me niet hoe het kan. Ik had hem niet gezien. Ik zag hem pas toen het te laat was. Toen ik wist dat de klap zou komen dacht ik nog maar één ding: ‘wat er ook gebeurt, blijf denken. Blijf denken. Blijf denken.’ Ook toen de klap kwam, mijn Scarlet als een razende op de weg aan het spinnen was en de airbags ontploften dacht ik alleen maar: ‘Blijf denken. Blijf denken.’ En ik bleef denken.

‘Zolang je denkt, ben je.’

De meneer van de zwarte Audi mankeerde – God zij dank – helemaal niets.
‘Ik ben zelf ambulancemedewerker’ vertelde hij me later. ‘Wat ik soms meemaak en zie is verschrikkelijk. Dit (hierbij maakte hij een weids armgebaar) is maar blik. Het belangrijkste is dat wij er nog zijn.’

De politie kwam. De ambulance kwam. Ik sliep die avond niet thuis. Alle dingen die ik tijdens de rit dacht kwamen uit. En nog vaak denk ik: ‘als ik al deze gedachtes niet had gehad, was het dan ook zo gelopen?

Hoogstwaarschijnlijk wel. Maar ik zal het nooit helemaal zeker weten…….