New York, augustus 1962
Regen. Alleen maar regen viel er die avond. De straten waren donker, eenzaam en verlaten. ‘Het is compleet uitgestorven,’ dacht ze terwijl ze haar jas huiverend dichtknoopte.

Het verontrustende gevoel dat ze had probeerde ze te negeren. Het dreinende stemmetje dat steeds zei: ‘waarom loopt er niemand buiten?’ probeerde ze niet te horen. ‘Er rijden zelfs geen taxi’s,’ verbaasde ze zich en ze wist niet wat ze beangstigender vond. Het gebrek aan mensen op straat of het gebrek aan de vertrouwde gele taxi’s.
‘Er is misschien een wedstrijd van het een of ander op tv,’ hield ze zichzelf voor maar toch: het klopte niet en dat wist ze zelf ook wel.

‘Het voelt onbehaaglijk,’ dacht ze terwijl ze onwillekeurig sneller begon te lopen. ‘Het voelt niet goed. Dit is raar.’
Ze sloeg de hoek om van Madison avenue en slaakte een zucht van verlichting toen ze verderop de helverlichte diner ontwaarde.
‘Hèhè,’ dacht ze opgelucht. ‘Daarbinnen zullen vast wel mensen zitten. Het zal er druk en warm zijn. Ik neem meteen een warme chocolademelk met slagroom en ik blijf daar net zolang zitten tot ik weer droog ben.’

Het belletje van de deur klonk in de oorverdovende stilte zo luid dat ze er van schrok. Zachtjes duwde ze de deur dicht en bleef aan de grond genageld staan.
‘Dit kan niet. Dit kan niet,’ dacht ze en ze voelde een kleine paniekaanval opkomen toen ze zag dat de diner helemaal leeg was. ‘Dit is abnormaal. Het lijkt wel alsof ik droom.’
Ze keek onderzoekend om zich heen. Het was een diner als alle andere diners. Zwart-witte tegels op de vloer, roodleren bankjes, barkrukken en veel chroom. In het hoekje stond een jukebox, groot en zwijgend. Het enige geluid dat er te horen was, was haar eigen gejaagde ademhaling.
Toen, opeens, en het was zo een idioot gezicht dat ze opgelucht lachte, danste door de lucht een rood ballonnetje.
‘Wat grappig, een ballonnetje. Geen mens buiten of binnen maar wel een ballonnetje!’ Boven het gangpad zweefde het ballonnetje langzaam door de lucht. ‘Hoe komt dat ding hier terecht?,’ vroeg ze zich af. Opeens bevroor de glimlach op haar lippen. ‘Die ballon wordt steeds groter. Wat is hier verdomme aan de hand?’

Ze moest zich omdraaien. Ze moest deze tent uit. Ze moest weg hier. Maar het lukte niet. Ze kon zich niet bewegen en keek met grote ogen van afgrijzen naar het alsmaar groeiende rode ballonnetje. Haar hartslag denderde als een op hol geslagen locomotief in haar oren: kedengkedengkedengkedeng en het zweet gutste over haar koude, natte rug.
‘Wat is hier verdomme aan de hand?,’ dacht ze weer toen ze zag dat de ballon van vorm veranderde. Opeens was de ballon verdwenen. In plaats daarvan stond Marilyn Monroe voor haar neus. Marilyn, die de bekende opwaaiende jurk aanhad.
‘Maar nu is de jurk niet wit,’ zag ze en haar hersens werkten op volle toeren. ‘Nu is de jurk rood. Bloedrood. Alsof…’ Ze maakte haar gedachten niet af omdat Marilyn haar arm ophief.
Ze wou iets zeggen, ze wou geluid maken maar dat kon ze niet. Haar ogen puilden uit hun kassen en ze zag eruit als een idioot zoals ze daar met open mond stond.

Terwijl ze in het gangpad stond begon Marilyn te zingen. Haar strak aankijkend en naar haar wijzend, zong ze, zacht, zwoel en beschuldigend:
‘You murderer
murderer
murderer
murderer
en terwijl ze heupwiegend op haar afkwam lukte het haar eindelijk om te gillen. En te gillen. Ze bleef gillen.

——————–

Ik werd wakker van het gegil. Zelfs toen ik me realiseerde dat ik wakker was gilde ik nog steeds.
En nu, zoveel jaar na deze nachtmerrie, vraag ik me nog vaak vertwijfeld af: Marilyn, wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan Marilyn???