Terwijl ik dit stukje tik staat er een groot glas rooibosthee voor mijn neus. De wind beukt tegen de ramen en zo af en toe hoor je een luide knal van vuurwerk. Dochterlief is in het stadje met wat vriendinnen en manlief kijkt tv. Kortom: het is een vredig avondje.

Waarom die intro? Geen idee. Hoogstwaarschijnlijk dacht ik: kom, laat me gewoon eens wat zinloos raaskallen en kijken hoelang ik dat volhoud. Ik denk dat ik een heel eind kom. Ik kan bijvoorbeeld vertellen over de Römertopf die ik vanmiddag gekocht heb. Dat is zo’n aardewerken schaal waar je je vlees, groenten en aardappelen tegelijk in propt en die je vervolgens een paar uur in de oven laat staan. Geen gedoe met potten en pannen, nee, gewoon alles in dat ding knallen en klaar. Ik voorzie een gouden periode in mijn keuken want als ik ergens een hekel aan heb is het koken. Op zich is koken zo af en toe nog wel okay maar élke dag??? Wat een ellende.

Ik begin tegenwoordig steeds vroeger met eten koken in het kader van ‘dan ben ik er lekker snel vanaf’. Dochterlief vindt het hoogst irritant dat we soms om 16.00 uur al aan tafel gaan. Het kind komt net thuis uit school en hop, we kunnen meteen aanschuiven. Om 17.00 is mijn keuken aan kant en ben ik vrij. Ik stelde laatst voor om in de toekomst ’s ochtends vroeg meteen warm te eten (in veel Aziatische landen doen ze dat tenslotte ook) maar daar willen mijn huisgenoten (voorlopig) nog niet aan.

Nu kan ik natuurlijk eindeloos over die keuken en dat eten neuzelen maar dat schiet niet op. Ik denk dat ik er maar weer even een kort fictief verhaaltje tegenaan gooi. Gewoon om scherp te blijven.

Zusje
Elke dag hebben mijn zusje en ik dezelfde discussie. Het is niet leuk meer. Ik vraag me af of ze wel goed wijs is. Volgens mij niet. Met mama wil ik hier niet over praten. Ze heeft het al moeilijk genoeg sinds papa met de noorderzon vertrokken is. Ik hoor haar heus wel huilen hoor, ’s avonds als ze denkt dat ik slaap. Dan doet ze de tv uit, zet van die zielige muziek op, trekt een fles wijn open en gaat aan tafel huilen. ’s Ochtends heeft ze dikke, opgezwollen ogen en een rode neus maar ik zeg er niets van. Ook dat vind ik sneu.

Al met al zijn er veel dingen die ik moeilijk vind maar als mijn zusje zo doorgaat zal ik het toch eens met mama bespreken. Ik vind het zorgwekkend. Elke dag opnieuw zegt ze tegen me dat mama haar vermoord heeft. Waar slaat dat op? Je bent toch niet goed bij je hoofd als je dat zegt?

——————-

Mama bekijkt me raar. Ik heb het haar zojuist verteld. Ik ging naar haar toe en zei: ‘mama, er is iets dat me al een tijdlang dwars zit. Ik wou het je eerst niet vertellen maar ik denk dat het belangrijk is dat je het weet.’ Ik heb haar verteld van de vreemde gesprekken die mijn zusje en ik dagelijks hebben. Ik heb haar verteld dat mijn zusje altijd hetzelfde zegt. Dat ze zegt dat mama haar vermoord heeft. Tijdens ons gesprek trok mama bleek weg. Het gesprek had me moeten opluchten maar toch… Toch zit er iets niet goed. Ik denk dat mama wat in de war is. Want nadat ik klaar was met praten bekeek ze me vreemd en ze klonk heel raar toen ze tegen me zei: ‘lieveling: je hebt helemaal geen zusje.’