‘Toch mis ik haar soms’, zei de vrouw met de lange blonde staart. ‘Ik kon het wel goed met haar vinden en eerlijk is eerlijk: ze was goed in haar werk.’

Ze zweeg en keek haar collega afwachtend aan. Die keek wat moeilijk. ‘Nou, ik mis haar niet moet ik je zeggen’, antwoordde ze. Ze pakte een bruine lok en draaide er een krul in. ‘Ik was blij toen ze wegging. Het was een vals, gemeen, geniepig kreng en ik heb niets dan ellende met haar meegemaakt. Bah, wat was ze eng. En gemeen, zo gemeen. Ik heb ze zelden ZO gemeen meegemaakt in het leven. Dan kon ze je aankijken met die rare, vreemde blik als je iets verkeerds gedaan had. Verkeerd in haar ogen dan hè. Het was niet eens écht verkeerd maar ze had de behoefte om je voor schut te zetten. En plein public natuurlijk, daar kickte ze op. Dan keek ze je aan met die vreemde, waterige oogjes en riep over de afdeling: ‘Wist je dat niet? Hoe kan dat nou? Hoe lang werk je hier nou eigenlijk?’

‘En dan liep ze weg, dat smadelijke glimlachje om de lippen. Gadverdamme, wat een gemeen mens was het. Die schreeuwpartijen op de afdeling, weet je nog? Zo volks. Onbegrijpelijk dat ze hier toch nog zo lang heeft gewerkt. Goed beschouwd was het gewoon een viswijf. Op de markt was ze beter tot haar recht gekomen. En dat gemene, dat intens gemene… God, wat was ze gemeen en vals. Zeldzaam, zo gemeen als zij was en …’

‘Ja, nou weet ik het wel’, interrumpeerde de blonde staart. ‘Maar die ervaring heb ik nooit met haar gehad. Kennelijk was er een verkeerde chemie tussen jullie. Jij moest haar niet en zij moest jou niet. Ik herken niets van wat je zegt. Dat heb ik allemaal nog nooit met haar meegemaakt.’

De bruine krul keek haar blonde collega minachtend aan. ‘Dat komt omdat je te stom bent om ook maar IETS op te merken. Ze moest jou ook niet. Wat dacht je, dat ze jou wél pruimde? Welnee mens. Je moest haar horen praten over jou. Maar ja, dat had je niet in de gaten. Zo onnozel ben je wel. Wat een loeder was het. Zo gemeen. Bah, zeldzaam gemeen. Daar missen we helemaal niets aan. Helemaal niets. Nee, ik ben blij dat ze weg is. Aan dat soort gemene mensen heb ik geen behoefte. Wat is er met je? Waarom ben je opeens zo stil?’