‘Morgen koop ik een nieuw nachtlampje’ had moeder gezegd. ‘Vanavond moet je maar even in het donker slapen, vind je dat erg? Nee toch? Je bent nu al zo een grote meid!’
Moeder had een kus op haar voorhoofd gedrukt en nu lag ze alleen. In het donker.
‘Ik ben niet bang’ fluisterde ze terwijl ze haar beertje stevig vasthield. ‘Ik ben al groot en ik ben niet bang.’

Haar hart bonkte wild en haar tong plakte tegen haar gehemelte. Eigenlijk had ze naar de woonkamer willen rennen maar ze durfde het bed niet uit. Dan moest ze haar kamer door en dan die lange gang op en … O God, nee. Dan maar stokstijf in dat bed blijven liggen.

Vanuit een van de hoeken in haar kamertje kwam een ritselend geluidje. ‘Ik ben niet bang’ fluisterde ze weer. ‘Ik ben al groot en ik ben niet bang’.

Met open ogen staarde ze de donkere kamer in. Zo bleef ze onbeweeglijk liggen, minuut na minuut. ‘Ik ben al groot en ik ben niet bang – ik ben al groot en ik ben niet bang – ik ben al groot en ik ben niet bang’ herhaalde ze zachtjes maar het hielp niet. Haar hart klopte en bonkte nu als een razende en ze proefde bloed aan de binnenkant van haar lip. Ze zweette, maar het dekbed van zich afgooien leek haar te gevaarlijk. Dat bood in elk geval nog een klein beetje bescherming. Toen – ze sperde haar ogen wagenwijd open – zag ze opeens de contouren ervan. ‘Dit is het monster’ begreep ze. ‘Ik wist dat het er was, ik wist dat het zou komen’. Op de een of andere manier was ze niet eens verbaasd. Groot en donker was het monster en – vreemd – het leek steeds groter te worden.

Minutenlang bleef ze roerloos liggen, het arme meisje, terwijl de alarmbellen in haar hoofd op hol sloegen en haar ogen bijna uit hun kassen sprongen. Verlamd van een gekmakende angst besefte ze dat het monster zachtjes op haar afsloop en opeens, bam, zijn tentakels naar haar uitstrekte en haar vastgreep.

Het meisje wilde gillen toen ze voelde het monster bezit van haar nam. Ze wilde gillen toen ze voelde hoe haar verkrampte lichaampje opeens slap werd, ze wilde gillen toen ze voelde hoe ze zachtjes het bewustzijn verloor en wegzakte in een poel van vergetelheid, ze wilde gillen toen haar laatste gedachte was: ‘het monster heeft gewonnen’ maar het was te laat – ze was in slaap gevallen.