‘Hij was een beetje een huilbaby,’ vertelde ze. ‘Soms dacht ik wel eens: ‘wat heeft hij toch? Heeft hij last van zijn darmpjes of is er iets anders aan de hand?’ Gelukkig duurde het niet lang. Toen die periode voorbij was werd hij een vrolijke, gezellige baby.’
Ze glimlachte bij de gedachte.
‘En als peutertje’, vervolgde ze opgewekt, ‘had hij zulke lieve dingen. Hij was een heel ander kind dan jij. Jij kon nogal fel zijn, een kleine kat. Maar hij had dat niet. Hij was heel zachtaardig en lief.’

‘Wat ik zo schattig vond – en dat beeld zie ik nog heel vaak voor me – was toen hij naar de kleuterschool ging. Hij rende steeds terug om naar me te zwaaien. Jullie gingen tegelijk de deur uit maar hij rende wel vier, vijf keer terug – om te zwaaien en om een kusje te geven. Dan zei ik wel eens tegen hem: ‘jonkje, nu moet je echt gaan, anders kom je te laat op school’. Dat deed jij nooit, dat terugkomen voor een kusje. Jij liep zó weg, hop, naar school. Maar hij… hij was anders. Hij kwam altijd even terug voor een kusje.’

‘En later, met Moederdag: och, ik zal het nooit vergeten: altijd had hij iets voor me. Nooit, maar dan ook nooit zou hij een Moederdag missen. Altijd kwam hij aanzetten met bloemen, met een klein cadeautje en een mooi kaartje erbij. Hij nam zelfs voor jou wat mee op Moederdag, weet je nog? Het was na de geboorte van je kleine meid. ‘Je bent niet mijn moeder, maar je bent nu óók een moeder’, zei hij. Hij had een fles rosé voor je meegenomen die ene keer. Ik herinner het me nog heel goed.’

Ze zweeg en keek met nietsziende ogen voor zich uit. Haar man pakte haar hand en stilletjes zaten ze, verzonken in herinneringen, samen op de bank.
‘In zijn portemonnee bleek er een pasfoto van mij te zitten’, zei ze opeens. ‘Ik vond dat zo ontroerend. Zo verschrikkelijk lief.’

————————-

Hij wás lief. Hij was zachtaardig. Hij zou geen vlieg kwaad doen. Hij was mijn broer. Hij zou vandaag 47 jaar geworden zijn.

Het duurt al 1 jaar, 6 maanden en 25 dagen