24-12
Alsof er niets aan de hand was zei ze: ‘Heb je trouwens gezien hoe helder die ster schijnt?’ Ze wees omhoog en ik volgde haar blik. ‘Ik heb, werkelijk waar, in mijn hele leven nog nooit zo’n ster gezien’.
‘Ik ook niet’ wilde ik mompelen maar het lukte niet; ik kon geen geluid voortbrengen. Ze keek me aan. ‘Je bent wat van slag geloof ik hè?’

Ik gaf geen antwoord. Ik KON geen antwoord geven. Het enige dat ik deed was haar wezenloos aanstaren terwijl ik het gevoel had dat mijn hoofd elk moment kon exploderen.
‘Het komt allemaal goed’, zei ze. ‘Echt. Ze zullen ons nooit vinden, dat weet ik zeker. We zijn veilig’.
Ze was nog serieus ook zag ik. ‘Heus’, knikte ze. ‘Geloof mij maar’.
Dat vooral ja. Haar geloven. In weerwil van de situatie moest ik glimlachen. Ik was in een gekkenhuis beland. Ik was op pad met een psychopaat.

Het begon een tijd geleden
…toen ze obsessief bezig was met het krijgen van een kind. Wat we ook deden: het kind kwam niet. De een na de ander plantte zich voort maar bij ons gebeurde er niets en haar frustratie begon zorgwekkende vormen aan te nemen. Toen haar zus in verwachting raakte was ze radeloos en jaloers en ditmaal duurde het erg lang voordat ze er overheen was, tot ze me op een mooie dag, ergens in mei, uitzinnig van geluk vertelde dat ze in verwachting was. ‘Het is gelukt’ juichte ze. ‘We krijgen een kindje!’
Het werden mooie maanden. Het toeval wilde dat onze buurvrouw ook in verwachting bleek te zijn en samen zaten ze uren aan de keukentafel te kwetteren over kleine vingertjes en teentjes.

Haar hele zwangerschap bleef ze mooi en slank, tot afgrijzen van de buurvrouw die ogenschijnlijk met de dag 10 kilo zwaarder werd. ‘De een draagt zwaar en de ander licht’, legde ze me uit als ik me erover verwonderde. Ik was een man. Wist ik veel.

Twee weken geleden moest ik een paar dagen weg. We hadden een klus – ik ben timmerman – in een naburig dorp en ze verzekerde me dat ik kon gaan. ‘Ik red me wel’ lachte ze blij. God, wat lijkt dat lang geleden!

*********************

‘Hij schijnt steeds feller’, zei ze terwijl ze omhoog bleef kijken. Ze klonk zorgelijk. Ik gaf geen antwoord. In gedachten beleefde ik de afgelopen twee weken opnieuw, beleefde ik het moment dat ik bij mijn thuiskomst ontdekte dat de baby geboren was….

‘Een jongetje’, zei ze terwijl ze het kereltje liefkozend aaide en een zacht kusje op zijn hoofdje drukte. Toen keek ze me angstig aan. ‘Er stond gisteravond een engel aan mijn bed. Hij vertelde dat we ons voorlopig schuil moeten houden omdat koning Herodes door het dolle heen schijnt te zijn. Ik heb alles al gepakt; als we nu vertrekken zullen ze ons niet vinden’.

We vertrokken direct. Stommeling die ik was. Nu zit ik dus hier – ergens in een stal met ons kindje in een kribbe en een vrouw die een vreemde voor me is geworden. Sinds mijn thuiskomt had ik een onbehaaglijk gevoel; er klopte iets niet, er was iets waar ik de vinger niet op kon leggen. Toen ik dat een paar dagen geleden tegen haar zei keek me met een ijskoude blik aan. Ik had het gevoel dat ik in de loop van een geweer keek.

Zojuist had ik het over naar huis gaan. ‘Als Herodes verdwenen is gaan we zo snel mogelijk terug’, zei ik. ‘Dit is een idiote situatie’.
‘We gaan niet naar huis’ antwoordde ze kalm.
Ik staarde haar aan. ‘We gaan niet naar huis’ herhaalde ze, net zo kalm als net.
‘Houd je nou niet van de domme’ glimlachte ze samenzweerderig toen ze mijn schaapachtige blik opving. ‘Je zegt al dagenlang dat je een unheimisch gevoel hebt, dat je het gevoel hebt dat er iets niet klopt’.

‘Dat is waar’, bracht ik in, ‘maar wat heeft dat te maken met…’
Haar glimlach verdween. In plaats daarvan grijnsde ze me toe als een waanzinnige en de verwilderde blik in haar ogen beangstigde me. Er zat iets niet goed. Er zat iets helemaal niet goed.
Er viel een lange stilte waarin we geen van beiden iets zeiden en elkaar alleen maar aankeken.
‘Je weet heus wel’, ging ze tenslotte verder, ‘dat dit niet onze baby is maar die van de buurvrouw. Voordat je kwaad wordt: ik heb er goed over nagedacht en ik weet zeker dat ze het niet erg vindt. Als ze nog leeft kan ze zo weer een nieuwe baby maken’. Ze wendde haar krankzinnige blik van me af en wees omhoog. ‘Heb je trouwens gezien hoe helder die ster schijnt? Ik heb, werkelijk waar, in mijn hele leven nog nooit zo’n ster gezien’.

Bron: Pixabay