Ja, natuurlijk moet ik nu naar bed, dat weet ik zelf ook wel. Maar ik ben gewoon veel te hyper en enthousiast na zo een dag met prachtig weer. Eindelijk zomer!
We hebben de afgelopen maanden vaak (ik althans) tandenknarsend moeten aanzien hoe de regen de aarde wegspoelde, bijna letterlijk, maar vandaag was het even droog. En zonnig. En heerlijk. Ik ben er nu gewoon hyper van en ik denk dat ik eigenlijk de rest van de nacht maar wakker blijf totdat ik de zon over een paar uurtjes zie opkomen. Eens even kijken hoe laat dat is, wacht even.

Zo, hier ben ik weer. Volgens deze site komt de zon om 05.29 uur op. Niet om 05.30 uur – nee, 05.29 uur. Let wel: EEN minuut voor half zes dus. Niet om half zes. Is toch raar??
Toen ik net in Nederland woonde, zo rond 1984, stond ik bij een tramhalte in Amsterdam en zag dat de tram om 12.03 uur zou vertrekken. ‘Hoe WETEN ze dat?’ vroeg ik me de hele tijd af. Het leek me zo onlogisch. 12.03 uur vertrekken – dat WEET je toch niet? Dat een tram zo rond 12.00 uur vertrekt, ja, dat kan nog wel maar 12.03 uur? Gek genoeg klopte het vaak ook nog.

Ik merk dat ik ongelooflijk afdwaal en het eigenlijk nergens over heb. Als ik jullie was had ik allang weggeklikt want dit schiet niet op.

Ik wou eigenlijk iets filosofisch schrijven. Er valt de laatste dagen bitter weinig te melden over de politiek vind ik. Zowel Rutte als Samson hebben al een week of twee lang geen wereldvreemde uitspraken gedaan (‘geld uitgeven jongens, HEEL veel geld)’ en ik vind het te laat om nog eens een filosofische blik te werpen op andere politiek onrustige landen. (Voel je die fijne nuance?!? 😉 )
Iets filosofisch gaat dus niet lukken vanavond of het moet een kleine weergave zijn van de discussie zijn die ik eerder op de dag met manlief en ouders voerde.

We waren vanmiddag even naar het strand waar zich een heel leuk strandpaviljoen bevindt. Hier zaten we met z’n allen even heerlijk op het terrasje.
‘Wat een lekkere dag is dit he?’ verzuchtte manlief.
Ik knikte. ‘Ja’ mijmerde ik, ‘zo ogenschijnlijk wel. Maar hoe WEET ik nou dat dit allemaal echt is?’ Ik maakte een wijds armgebaar.
Manlief wierp een verwonderde blik op me.
‘Hoe bedoel je: ‘hoe wéét ik of dit allemaal echt is? Dat wéét je toch?’’
‘Nee’ schudde ik beslist mijn hoofd. ‘Dat weet ik dus niet. Misschien dénk ik alleen maar dat dit gebeurt maar ben ik allang ergens anders. Of besta ik niet.’
Ik zag mijn ouders bezorgde blikken met elkaar wisselen en manlief fronste zijn wenkbrauwen.
‘Je zit toch niet tegenwoordig ’s ochtends vroeg al aan de Prosecco?’ informeerde hij scherp.
‘Nee’ antwoordde ik weer. ‘Maar ik vind het wel eens lastig. Want ik zou het graag…’ Op dat moment reed er een ambulance op de pier voorbij.
‘Kijk, ik zal het wat duidelijker uitleggen’ wees ik de ambulance na. ‘Die ambulance die daar gaat. Hoe wéét ik nou dat die daar niet alvast op mij staat te wachten? Wie zegt me dat? Ik dénk misschien dan wel dat we hier nou vrolijk en gezellig zitten maar misschien is dat helemaal niet zo.’
De blikken van mijn arme ouders werden steeds verontrustender.

‘Je zoekt het maar lekker uit’ besliste mijn moeder na enkele seconden.
‘Ja’ knikte ook vader. ‘Dat vind ik ook.’ Hij stak zijn hand op om nog wat te bestellen.

Verder verliep de dag heel normaal en gezellig. We hebben nog wat geslenterd in het stadje. ’s Avonds buiten gegeten. Kortom: gewoon genoten.

Althans: dat dénk ik. Want hoe wéét ik dat dat allemaal echt zo was vandaag? Wie zegt mij dat ik niet in een dwangbuis in de ambulance afgevoerd ben vandaag?

Ik denk dat ik toch maar ga slapen nu. Die zonsopkomst zie ik een andere keer wel.