Stilzwijgend liepen ze over de Voorstraat, de man en de vrouw. Ze keken beiden stuurs voor zich uit en dat was jammer want het was een prachtige dag. Bij Wally’s stopten ze. De vrouw liet zich zakken op een van de houten bankjes voor de deur. ‘Eerst een kopje koffie’, verzuchtte ze. ‘Daar ben ik wel even aan toe’.

‘En dan, wat wil je hierna doen?’ vroeg de man. Hij klonk een beetje angstig. ‘En dan naar huis’, antwoordde de vrouw. Ze knikte goedkeurend toen haar bestelling voor haar neus neergezet werd en roerde bedachtzaam haar suikerklontje door de koffie. De man verroerde zich nauwelijks. Hij had een biertje genomen en staarde naar de blauwe lucht. ‘Mooi weer’, mompelde hij. ‘Ja’, zei ze. ‘Maar dat windje veroorzaakt wel veel stof.’
De man slikte. Hij merkte dat ze boos was. De hele rit vanaf Leeuwarden naar huis had ze stilzwijgend naast hem in de auto gezeten.
‘We gaan een buffetkast kopen’, had de vrouw die ochtend gezegd maar het werd haar al gauw duidelijk dat hij dat niet zag zitten. Bij elke buffetkast die ze mooi vond had hij vertwijfeld geroepen: ‘Ja, mooi hoor, maar denk eens aan al dat stof dat zich daarop zal gaan nestelen.’
De vrouw werd er moe van. ‘Hou eens op over dat stof’, beet ze hem bij de vijfde buffetkast toe. ‘Alsof jij al dat stof afneemt zeg.’
‘Ik wil je alleen maar helpen’, had hij hulpeloos gezegd maar ze geloofde hem niet.

‘Helpen’, snoof ze schamper terwijl ze aan zijn opmerking terugdacht.
‘Ja, helpen’, zei hij. ‘Het is toch onpraktisch, zo’n ding?’
De vrouw wierp hem een venijnige blik toe. ‘Altijd maak jij bezwaar tegen de dingen die ik opper’, zei ze opeens. ‘Of het nu gaat om een nieuwe bloempot of een rolgordijn: je kijkt direct bedenkelijk. Nooit eens vrolijk.‘
De man keek hulpeloos. ‘Maar lieverd’, zei hij, ‘ik denk gewoon mee, dat is toch niet zo erg? Ik bekijk vooral de praktische kant. Dat is kennelijk een mannending.’
‘Zo. Een mannending.’ Ze knikte. Ze dronk haar laatste slokje koffie op en zette het kopje met een klap neer. ‘Ziezo’, zei ze. ‘Zullen we? We gaan aan de slag.’

‘Aan de slag?’ vroeg de man verbaasd.
‘Ja. We hebben nog heel wat te doen. Ik begrijp opeens wat je bedoelt met praktisch en meedenken. Kom, drink je glas leeg, we gaan beginnen.’
Behoedzaam dronk de man zijn glas leeg. ‘Wat is precies de bedoeling?’ wou hij weten toen hij afgerekend had. ‘Waar gaan we nu mee beginnen?’

‘We gaan beginnen met de ontmanteling van ons huis’, zei ze. Ze klemde haar lippen grimmig op elkaar. ‘Alles waar eventueel stof op kan komen gaan we verwijderen. Tafels, boekenkasten, alles. Maar’, en hierbij hield ze even stil, ‘maar we gaan beginnen bij de grootste stofvanger die ons huis kent: jouw modeltreintjes.’

Mistroostig sjokte de man naast haar voort. De vrouw zette er stevig de pas in. Om haar mond speelde een vilein lachje.
‘Vind je het zelf nou geen uitstekend idee?’ vroeg ze nog even.
‘Tja’, zuchtte de man. Hij zuchtte en zette langzaam het ene been voor het andere.
‘Nou?’ drong de vrouw aan.
‘Tja’, zei de man weer. Meer niet. Zijn schouders, die toch al niet te hoog zaten, zakten nog een paar centimeter en hij herhaalde zachtjes, onhoorbaar fluisterend terwijl de moed hem definitief in de schoenen zonk: ‘Tja’.