Het is me gelukt! Eindelijk! Ik heb me er met de moed der wanhoop doorheen geworsteld en vaak dacht ik: ‘ik kap ermee’, maar dat vond ik ook weer zo’n zwaktebod. Dus zette ik knarsetandend door, me regelmatig afvragend: ‘waar GAAT dit over? What is the bloody point of all this?’ (Yes, I speak also a little word English ;-)) maar dan dacht ik meteen: ‘kom op. Doorzetten. De hele wereld doet er zo lyrisch over – alle recensies zijn zo lovend, het ligt aan jou.’

En dat zal dan ook wel. Het zal aan mij liggen. Maar ik vond er geen hol niets aan. Ik heb het over ‘Het Puttertje’ van Donna Tartt. Bij elke bladzijde die ik omsloeg dacht ik: ‘dit boek is een hype.’ Ik kan het anders ook niet verklaren maar nogmaals: het zal aan mij liggen. Wat Donna Tartt in 928 pagina’s vertelt had ik in 30 kunnen vertellen maar dat zegt niets natuurlijk. Dat zegt alleen iets over mijn onvermogen om uitvoerig, uitgebreid en langdradig te kunnen vertellen.

Natuurlijk vind ik het knap wat ze doet. Ik doe het haar niet na. En misschien waren mijn verwachtingen wat te hoog gespannen na haar 2 vorige boeken, dat kan ook. Hoe dan ook: ik ben blij dat ik er vanaf ben. Dit was eens maar nooit meer. Er zijn van die boeken die je nog wel eens opnieuw wilt lezen (ik wel tenminste, vooral Harry Potter) maar hier bedank ik voor.

Na Het Puttertje stortte ik me ter afleiding even op enkele sprookjes van Grimm en Hans Christian Andersen. Ik heb heel lang gedacht dat het woord ‘grimmig’ afgeleid was van de naam ‘Grimm’ maar dat is niet zo. Gisteren heb ik ‘Het meisje met de Zwavelstokjes’ van Andersen weer eens gelezen en ik bleef – opnieuw – zitten met een akelig gevoel. Hoe dan ook, ik dacht: ik ga voor de grap een variant erop schrijven. Ook een Niet-Blij sprookje. Komt ‘ie:

Het Vrouwtje met de Stokjes
Ze had een vreemde gewoonte, al haar hele leven lang: ze verzamelde stokken. Grote stokken, kleine stokken, bruine, gele, groene en rode stokken: allerlei soorten stokken verzamelde ze.
Een stok voor elke gelegenheid had ze. Als ze moest tellen hoeveel stokken ze had kwam ze tot ver over de honderdduizend. Ze gebruikte de stokken compleet willekeurig. Op momenten dat je het niet verwachtte haalde ze een stok voor de dag en begon er verwoed mee te slaan.
Het konden oude stokken zijn. Stokken die ze jaren geleden al eens gevonden had. Elke stok bewaarde ze zorgvuldig. Koesterde ze. Eens in de zoveel tijd haalde ze met een grimmig glimlachje een stok naar boven, inspecteerde hem, poetste hem op en zette hem weer terug. Nooit, maar dan ook werkelijk nooit, zou ze een stok weggooien. Ook als ze hem al eens gebruikt had. Ze was er teveel aan gehecht, aan al haar mooie stokken. Ze weggooien zou zonde zijn. Een leven zonder stokken zou leeg zijn. Vreemd. Eng bijna. Ze speurde constant om zich heen, op zoek naar een nieuwe stok en het kwam eigenlijk zelden voor dat ze huiswaarts keerde zonder er weer een aan haar collectie te kunnen toevoegen.
Haar leven bestond uit stokken. Grote stokken, dikke stokken, dunne stokken. Lange stokken, fragiele stokken, buigzame stokken. Ze had het zo druk met haar stokken dat ze compleet vergat te leven. Toen ze oud was had ze niemand meer. Iedereen had zich van haar afgewend. Ze vond het niet eens meer erg. Want ook dat was weer een nieuwe stok om ooit mee te kunnen slaan.

—————

Zo, dat was een variant uit de losse pols. Een volgende keer een variant op Sneeuwwitje. Over dat gedoe in dat huisje met 7 van die mannen en waarom dat eigenlijk toch wat raar was.