Het was een grijze dag vandaag...Om de balans van haar leven op te maken zou té confronterend zijn en daar had ze geen zin in, maar als ze eerlijk was moest ze toegeven dat de situatie vrij bedroevend was.
‘Ik had het me vroeger toch allemaal heel anders voorgesteld’, zuchtte ze terwijl ze naar haar spiegelbeeld staarde. De vrouw in de spiegel keek met donkere, loerende blikken terug en schudde haar hoofd.

Het vooruitzicht op een nieuw, leeg jaar deed haar huiveren. ‘Als er nu maar eens wat leuks gebeurde’, dacht ze. ‘Het afgelopen jaar was wel erg stil. TE stil. Ik wil niet dat het dit jaar ook zo zal zijn.’

Dat het zo stil was het afgelopen jaar had ze uitsluitend aan zichzelf te danken. Systematisch nam een ieder definitief afscheid van haar. Van haar nukken. Van haar hysterische buien, jaloerse gedrag, volkse uitbarstingen – haar omgeving was het meer dan zat.
‘Ze zijn klaar met me geloof ik’, schoot het door haar heen maar ze duwde die gedachte direct weg. ‘Onmogelijk. Ze zijn hooguit een beetje jaloers op me, meer niet.’

Ze besefte niet dat alle krediet op was. Dat begreep ze werkelijk niet. Vroeger was er nog ruimte om te vergeten en vergeven maar die ruimte was er niet meer. Hij was verdwenen. Ze had alle grenzen overschreden en haar eigen geloofwaardigheid en integriteit zó te grabbel gegooid dat niemand haar ooit nog serieus zou nemen.
‘En nu?’, vroeg ze zich af terwijl ze driftig door haar adressenboekje bladerde. ‘Wie kan ik nu nog bellen?’

Ze zag dat ze veel namen doorgestreept had. De namen van haar zussen, van haar kinderen, van haar jeugdvriendin.
‘Het ligt aan jou ma’, had haar jongste zoon gezegd toen ze zich bij hem beklaagde over de afstandelijkheid van haar omgeving. ‘Als je met letterlijk iédereen ruzie hebt ligt het toch niet aan hen? Dat kan toch niet? Je moet echt eens gaan nadenken over je eigen gedrag en integriteit.’

Ze had hem het huis uitgescholden en zijn naam doorgestreept in haar boekje. Onacceptabel vond ze zijn opmerking. ‘En dat wijf van je hoef ik ook nooit meer te zien!’, had ze hem nog nageschreeuwd.

Nu zat ze daar in die stoel. Met een adressenboekje in de handen en niemand om te bellen. Ze pakte de handspiegel die binnen haar bereik lag en knikte zichzelf bemoedigend toe.
‘Jij en ik hebben niemand nodig’, fluisterde ze. ‘Niemand.’
Ze leek oprecht verbaasd toen ze in de ogen van haar evenbeeld tranen zag opwellen en toen ze voelde hoe, ergens diep van binnen, een rauwe, primitieve kreet zich een weg naar boven baande begon ze hartverscheurend te snikken.

‘Ik heb mezelf toch ook niet gemaakt!’, krijste ze radeloos terwijl ze de spiegel van zich afgooide. ‘Ik wil wel anders maar ik KAN niet anders, snap dat dan!’
Het was triest dat niemand haar hoorde maar nog triester was het dat haar verdriet en wanhoop niemand interesseerde of ooit nog interesseren zou.
Ze had werkelijk alle krediet verspeeld.