‘Als je toch zo naar buiten gaat Hendrik-Jan, wil je dan even kaartjes kopen voor de voorstelling van volgende week in Trebol?’, vroeg Afke op een winderige dinsdagochtend. ‘Ik lees net het artikel over ‘Een Beter Leven’ – het lijkt me wel leuk.’
Ze sloeg de Harlinger Courant neer en keek over de rand afwachtend naar Hendrik-Jan.

Hendrik-Jan hoorde haar niet. Hij zat weer achter zijn laptop en was duidelijk ingespannen bezig. Lang nadenken over zijn woorden hoefde hij niet:

Geachte meneer Rutte,

Sinds u enige tijd geleden verkondigde dat dit kabinet ‘het beste kabinet sinds de tweede wereldoorlog’ was heb ik – en met mij vele honderdduizenden mensen – u niet meer serieus genomen. Dat was onmogelijk. Toen u in diezelfde periode een oproep deed tot het aanschaffen van auto’s, huizen en wasmachines begreep ik dat er geen ontkomen aan was: we worden bestuurd door een volledig incompetent iemand die aan het hoofd staat van een compleet incompetent kabinet. Het is een treurige constatering maar ik ontkom er niet aan. Fout op fout werd er de afgelopen jaren gestapeld met als een van de uitschieters het debacle dat zich kort geleden voor onze ogen voltrok: het miljoenengefraudeer van de Bulgaar met onze toeslagen. (Gemakshalve zal ik het nu niet hebben over het gruwelijke feit dat de EU alleen al aan corruptie 120 miljard kwijt is aan de Zuid- en Oost-Europese landen).
Meneer Rutte – en ik schrijf dit alles op met schreiend hart: ik ben wanhopig. Ik niet alleen. Veel mensen zijn het zat. U hoort het niet en u wilt het niet horen en dat snap ik heus wel. Uw grootste ambitie is het pluche warm houden en eigenlijk stoppen de intenties daar wel. Weet u trouwens dat – zo blijkt uit de opiniepeiling van Maurice de Hond – meer dan driekwart van alle Nederlanders klaar zijn met de poppenkast die EU heet? Hieruit blijkt maar weer dat de continue pro-EU campagne die ons opgedrongen wordt weinig effect…’

‘Hendrik-Jan!’, klonk eensklaps de stem van Afke in zijn oor. Ze schreeuwde het bijna uit. ‘Ben je nou aan het janken, zie ik het goed?’
Afke stond, met de armen over elkaar heengeslagen, Hendrik-Jan verbijsterd aan te kijken en hij schrompelde in elkaar.
‘Natuurlijk niet’, mompelde hij en veegde een traan weg. ‘Ik was juist bezig aan een gedicht en ik was even ontroerd.’
Afke liep naar het scherm en las hardop: ‘Het brevet van onvermogen kan ik u niet meer uitreiken, dat heeft u inmiddels allang in uw bezit. Het voelt akelig koud meneer Rutte, om zo tot op het bot uitgekleed te worden met als enig doel anderen lekker warm aan te kleden.’

Afke schudde haar hoofd en keek Hendrik-Jan ongelovig aan. ‘Je lijkt wel niet goed wijs. ‘Uitgekleed te worden tot op het bot’ – tjonge jonge.’
Hendrik-Jan zuchtte. ‘Heb jij dan niet het gevoel Afke, dat Mark ons uitkleedt?’
‘Nee!’, antwoordde ze ferm en ze voegde eraan toe: ‘En daar zit ik ook niet op te wachten. Er is maar één die mij mag uitkleden.’
Ineens – het was een wonder – ontwaakte de briesende leeuw in Hendrik-Jan. Hij grijnsde opgewekt en van zijn sombere gevoelens was weinig meer over.
‘Ga nu maar gauw de kaartjes halen voor Trebol’, zei Afke monter. ‘We gaan vanavond eten bij De Twee Broertjes en gaan er een leuk avondje van maken. Dat lijkt me veel beter dan brieven schrijven aan Mark. Daar schiet je niets mee op.

Hendrik-Jan pakte gauw zijn jas en huppelde de straat op, richting Hompy. Al die leuke vooruitzichten deden hem goed. Opeens vond hij zijn ‘gedicht’ helemaal niet belangrijk meer.