Bron: PixabayWie goed luisterde had een speld kunnen horen vallen. Dat moment duurde maar even. Direct daaropvolgend hoorde je haar gejaagde ademhaling – ze hijgde bijna. Het was duidelijk dat ze not amused was.
‘Hoe kun je dat zeggen’? hijgde ze. Ze legde haar rechterhand beschermend tegen haar borst aan.
‘Ik krijg hier hartkloppingen van weet je dat? Op dit moment, NU, zit ik met hartkloppingen aan tafel.’

Bedroefd bekeek hij haar. ‘Ik weet het’ zuchtte hij. ‘Dat is het probleem met ons. Een discussie is niet meer mogelijk. Een gesprek met jou voeren lukt niet meer. Je ervaart alles als kritiek en begint over hartkloppingen als het je teveel wordt.’
Ze boog haar hoofd en speelde met haar ring.
‘Je weet dat ik niet van dit soort discussies hou’ zei ze aarzelend. ‘Ik kan daar niet tegen.’
‘Dat zeg je telkens’ knikte hij. ‘Je hebt jezelf afgesloten voor kritiek. En het heeft geleid tot een verwijdering tussen ons. De kloof tussen ons is bijna onoverbrugbaar. Het enige dat je van mij verwacht is dat ik geen kritiek lever. Dat ik niets zeg. Dat ik gewoon doe wat jij zegt. Dat ik…’
Hij kon zijn zin niet afmaken. Woedend stoof ze op.
‘Hoe kun je dat zeggen? Je weet dat dat niet waar is!’

‘Het is niet eens kritiek’ ging hij verder. ‘Ik wil gewoon met je kunnen communiceren maar dat lukt niet. Wat ik wil is met je PRATEN. Ik wil soms uiting geven aan wat ik voel. Aan wat ik denk. Maar ik stuit op een muur bij jou. Je wordt telkens weer emotioneel en begint te huilen. En sinds kort hebben we er ook nog hartkloppingen bij’ besloot hij zuchtend. ‘Ik vind het trouwens erg vervelend dat je dat steeds zegt. Het is een vorm van manipulatie en ik voel me daar erg onbehaaglijk bij.’

Ze keek langs hem heen, de tuin in. De kinderen zaten op de schommel en maakten duidelijk hoorbaar ruzie. ‘Ophouden’ hoorde ze haar dochter vanuit de verte schreeuwen naar haar jongere zusje. ‘Nu ophouden!’

Ze liep naar de keukendeur en stak haar hoofd naar buiten. ‘Hou eens op met dat gegil’ zuchtte ze vermoeid. Zachtjes sloot ze de deur en schoof weer aan tafel. ‘Waar waren we? Oh ja: jij wil praten. Je wil graag uiting geven aan wat je voelt. En dat kan niet bij mij.’
Het klonk vrij cynisch.

Hij schokschouderde. ‘We zijn ondertussen zover dat ik niets, maar dan ook niets meer durf te zeggen omdat ik bang ben dat je een woedeaanval krijgt.’

Ze verviel even in gepeins. ‘Het wordt steeds moeilijker om met je te praten’ had haar hartsvriendin laatst geroepen. ‘Je schiet doorlopend in de beledigde modus. Kritiek kan ook opbouwend bedoeld zijn maar jij bent maar met één ding bezig: degene die het waagt kritiek te hebben keihard af te straffen en af te stoten.’

‘Ik bedoel het niet slecht’ zei hij. Hij probeerde haar hand te pakken die ze meteen terugtrok.
Ze voelde een ongekende boosheid in zich opkomen. Met een ruk schoof ze haar stoel naar achteren en stond op van de keukentafel.
‘Zijn we klaar met het gesprek?’ vroeg hij.

Hij keek omhoog, zoals ze daar stond. Kaarsrecht, kin de lucht in en een vervaarlijke blik in haar ogen.
‘Voorlopig zijn we klaar ja. Ik moet nu even gaan liggen. Ik heb ongelooflijke hartkloppingen. En hoofdpijn’ voegde ze eraan toe terwijl ze hem een intens beschuldigende blik toewierp. Ze verliet de keuken en hij hoorde het dichtslaan van de slaapkamerdeur.

In één teug dronk hij zijn glas wijn leeg en schonk direct weer bij. Straks moest hij maar aan het eten beginnen. Vandaag zou ze niet meer naar beneden komen wist hij, daar hoefde hij niet op te rekenen.