Lief dagboek,
Eigenlijk had ik van alles willen schrijven. Ik had willen schrijven over de tegenvallende maansverduistering van de afgelopen vrijdagavond. Over hoe pa, man en ik naar boven staarden in afwachting van het spektakel en over hoe we het kregen over de reusachtigheid van het heelal. Ik had iets willen zeggen over de stelling ‘Eerst was er niets’ en dat die stelling gewoonweg niet te bevatten is. HOE is het mogelijk dat er eerst Niets was? En WAAR zat dat Niets dan? WAT was het Niets? En hoe kon het dat…

Ja, dat had ik onder andere bij vrijdag willen schrijven. Bij zondag had ik willen schrijven dat man en ik ter hoogte van het pannenkoekhuis allemaal Kreidlers (bromfietsen) zagen staan waar man erg verrukt over was. Ik had willen schrijven over het gesprek dat ik opving tussen twee vrouwen op het terras bij het pannenkoekhuis en dat als volgt ging:
‘Denk je dat ze werkelijk geïnteresseerd is in jou of in mij? Nee toch?’
‘O nee. Daar ben ik allang achter. Wij zijn haar praatpalen en daar houdt het wel zo’n beetje mee op’.
‘Precies. Ze heeft iemand nodig om tegenaan te leuteren en het maakt niet uit wie dat is. Jij, ik, de kapper of de slager: als ze maar aandacht krijgt’.

Bij maandag had ik willen schrijven dat man en ik naar Leeuwarden gingen. Ik had willen schrijven dat ik me oprecht afvroeg: hoe weten ze nou zo zeker dat de Oldehove niet omvalt? Er hoeft volgens mij maar een klein aardbevinkje plaats te vinden en bam, daar ligt de toren. Dat had ik willen schrijven. En ook had ik willen schrijven dat ik oprecht verheugd was te zien dat het afgebrande huis van Mata Hari prachtig herbouwd is. Ik had willen schrijven dat ik voor het eerst in jaren het gevoel kreeg dat de generatie psychopathische architecturen die zich willen onderscheiden in uniek, lelijk, vierkant en blokkerig eindelijk uitgestorven lijkt te zijn. Halleluja. Wat zij Nederland aangedaan hebben komt de eerste 500 jaar niet meer goed.

Bij dinsdag had ik iets willen schrijven over mijn Familieroman. Ik wilde vertellen over mijn gebrek aan inspiratie en dat dat waarschijnlijk met de hitte te maken heeft. Ik kwam niet verder dan:

‘Mina, o Mina toch’ verzuchtte tante Elly. Mina belde haar tante Elly regelmatig om zich te beklagen over van alles. Over het Leed dat het leven haar aangedaan had en ja, Leed moest met een grote, vette hoofdletter. ‘Ik ben hier het slachtoffer’ bralde Mina terwijl ze een hap uit haar Camembert nam. ‘Ik ben het slachtoffer’ herhaalde ze.
‘Maar lieverd…’ Tante Elly zweeg even. Wat moest ze zeggen? Tegen zoveel stompzinnigheid kon ze niet op. ‘Heb je wel eens gehoord van hand in eigen boezem steken?’
Mina veerde op aan de andere kant van de lijn.
‘Je bedoelt: gewoon je hand tussen je bh proppen? Dat kan ik wel hoor’.
Het ‘God o God’ van tante Elly hoorde ze niet. Gelukkig maar. Anders had ze weer woedend de telefoon op de haak gegooid.

Ook had ik iets willen schrijven over Vitens; ik verbaasde me namelijk een beetje over het feit dat Vitens een bedrijf blijkt te zijn dat niet in staat is om ons bij een paar droge dagen te voorzien van voldoende water. Ik had willen schrijven dat de waterdruk behoorlijk laag is en ik sterk het gevoel krijg dat we op rantsoen gezet worden. Ik had iets willen zeggen over het feit dat een gemiddeld gezin tegenwoordig ongeveer 200 euro per jaar betaalt om water uit de kraan te krijgen terwijl dit nog niet zo lang geleden gratis was. Ja, natuurlijk had ik een schampere opmerking willen maken over het feit dat ik de indruk krijg dat er bij Vitens ook de nodige disfunctionerende bestuurders aan het roer zitten tegen riante salarissen. ‘Zoals gewoonlijk is de consument weer de dupe’ had ik erbij willen zetten.

Eigenlijk had ik nog veel meer willen schrijven. Over hoe ik tranen met tuiten gehuild heb toen ik ontdekte dat de Aldi de favoriete kaaskroketten van moe en mij niet meer in het assortiment heeft. (WAAROM Aldi, waarom??). Ik had willen schrijven over mijn oude laptop: dat ik die eigenlijk toch veel prettiger vind werken dan mijn nieuwe (waarom heb ik die dan in Hemelsnaam gekocht?). Ik had willen vertellen over gisteravond, woensdagavond, toen we bij vrienden op bezoek gingen die met hun boot in de Noorderhaven lagen en ik via een laddertje tegen de steile muur naar beneden moest klauteren wat ik op zich eng vond maar wat gelukkig goed ging. Ik had het willen hebben over de 32.000 mensen die er in de eerste helft van dit jaar weer bijgekomen zijn. ‘Aan het eind van het jaar hebben we er dus, net als trouwens elk jaar, een stad als Leeuwarden bij’ had ik er ter illustratie aan toe willen voegen. ‘Hoezo vergrijzing? Waarom wordt ons dit alsmaar wijsgemaakt?’ – daar had ik mee willen afsluiten.

Daarover, en over nog veel meer dingen had ik vandaag, vrijdag, willen schrijven, maar daar heb ik geen tijd voor. Het zonnetje schijnt, de lucht is blauw en alles wat ik eigenlijk had willen schrijven moet maar even wachten. Nu ga ik het stadje in, kijken naar de Tall Ships. Laten we wel wezen dagboek: dat is toch eigenlijk veel leuker?!?