Toen Anton die ochtend de deur uitging was hij wat mat. ‘Die hitte!’ dacht hij terwijl hij herhaaldelijk zijn voorhoofd afveegde. ‘Die hitte is ondraaglijk. Ik wou dat het ging regenen, dan klaarde het wat op.’

Hij slenterde op zijn gemak naar het park vlak bij zijn huis in de hoop daar wat verkoeling te vinden. Toen hij neerplofte op een bankje veegde hij weer zijn voorhoofd af. ‘Warm is het hè?’ zei hij tegen de man die op het bankje zat.

De man glimlachte vaag. ‘Ik heb er geen last van’, antwoordde hij terwijl hij Anton enkele seconden aankeek. Een zacht briesje stak op en Anton knikte verheugd. ‘Dit is het betere werk’, lachte hij terwijl hij zijn vinger de hoogte in hield. De man naast hem zei niets.  Hij leek in gedachten verzonken. Hij zag er wonderbaarlijk koel uit, de man, en ondanks het feit dat hij een driedelig pak aan had parelden er op zijn voorhoofd geen zweetdruppeltjes zoals dat bij hem, Anton, wel het geval was.

Anton zakte wat onderuit en sloot zijn ogen. Om zich heen hoorde hij vrolijke kinderstemmetjes, blaffende honden en moeders die hun kinderen riepen. Hij merkte dat zijn oogleden steeds zwaarder werden. ‘Dat komt door die hitte’, dacht hij nog. ‘Daar word je loom van.’ Steeds zwaarder werden de oogleden van Anton en na enkele minuten zakte zijn kin op zijn borst. Hij maakte er ook een zacht ronkend geluidje bij dat ongeveer zo klonk: ‘Ggrrhhh’. Hij sliep nog niet zo heel lang toen een donkere wolk voor de zon schoof.  Vanuit het niets stak een ijskoude wind op en Anton opende zijn ogen. ‘Hoe kan dat nou in die paar minuutjes?’ vroeg hij zich verwilderd af terwijl hij omhoog keek. De lucht boven hem was inktzwart en de uitzinnige wind die door het park joeg deed de afgewaaide bladeren om zijn blote benen kronkelen als woeste, razende reptielen. Anton hersens werkten op volle toeren. ‘Dit is vreemd’ dacht hij en opeens voelde hij zich erg onbehaaglijk. Het leek alsof de dag doodgegaan was.

Anton ging rechtop zitten en realiseerde zich met afgrijzen dat hij helemaal alleen was. De lachende kinderstemmetjes waren verdwenen. De moeders die hun kinderen riepen waren weg. De blaffende honden waren stilgevallen. In plaats daarvan hoorde hij nu alleen nog maar het beangstigende gebulder van de ziedende wind die door de bomen raasde. Anton spitste zijn oren. Hij hoorde ook een ander geluid. Een vreemd, bonkend geluid.

Wordt vervolgd