Anton draaide zijn hoofd om maar het was moeilijk het geluid goed te kunnen lokaliseren te midden van het natuurgeweld. ‘Het lijkt verdomme wel hoefgetrappel’ dacht Anton, die niet zeker wist of hij nu op moest staan en weg moest rennen of juist moest blijven zitten waar hij zat. ‘Het lijkt wel hoefgetrappel maar dat kan toch niet? Hoe zou dat nu…’

Het WAS hoefgetrappel. Voordat hij de zin in zijn hoofd af kon maken stonden ze voor zijn neus, de twee prachtige paarden die een…  ‘Dit kan niet’, dacht hij panisch. ‘Dit is Godsonmogelijk. Toch? TOCH??? Dit zijn twee prachtige paarden die…’ Anton weigerde de gedachte in zijn hoofd af te maken maar hij ontkwam er niet aan: die een ouderwetse Victoriaanse lijkwagen voorttrokken.

De bestuurder stapte af en liep naar Anton. Het was de man die net nog naast hem had gezeten op het bankje. Halverwege bleef hij staan en maakte een uitnodigend gebaar naar de lijkwagen. Anton was verlamd. Opeens had hij het gevoel had dat hij niet meer kon ademen. De inktzwarte lucht drukte zwaar op zijn borst en hij probeerde zuurstof naar binnen te zuigen maar het ging niet. Hij had het gevoel dat hij stikte. ‘Lucht. Lucht!’ schreeuwde alles in hem. Het lukte niet. Het voelde alsof hij op de bodem lag van een bak met daarin vloeibaar beton. Of cement. Of iets, wat dan ook, dat hem het ademen belette. ‘Lucht!’, krijste alles in hem weer terwijl hij wild maaiend met zijn armen een vruchteloze poging deed zich te bevrijden van de betonlaag die hem omsloot. Het werd zwart voor Antons ogen. Pikzwart. Misschien wel net zo zwart als de lucht boven zijn hoofd.

‘Wat is dit vreselijk’, snikte een jonge vrouw. De man naast haar knikte. ‘Ik heb dit nog nooit meegemaakt’, fluisterde hij. Hij zag bleek. Een oude dame keek geschokt. ‘Ik ook niet. Zomaar, vanuit het niets. Eng hè?’ Een groep mensen verzamelden zich om het verkoolde lichaam dat daar in het gras lag. Een man knielde neer en schudde zijn hoofd. ‘Hij is dood.’  Dat was een ieder wel duidelijk. De mensen fronsten hun wenkbrauwen. Ze keken verwonderd omhoog en vroegen zich af hoe het mogelijk was dat op zo’n mooie, prachtige dag opeens een bliksemschicht vanuit het absolute niets iemand kon treffen. De lucht was stralend blauw en overal in het park hoorde je vrolijke kinderstemmetjes. Hier en daar hoorde je moeders die hun kinderen riepen. In de verte kon je het geluid horen van een sirene. Niemand, werkelijk niemand, lette op de oude man in het driedelige pak die verderop glimlachend en tevreden op het bankje zat.

Deel I kun je hier lezen