‘En?’ vroeg de man. ‘Hoe staan de zaken ervoor? Wil het een beetje lukken?’ Achteloos rolde hij zijn pen heen en weer over zijn bureau en volgde aandachtig de beweging. Om zijn lippen speelde een vreemd, verwilderd glimlachje.
De vrouw die tegenover hem zat sloeg bedeesd haar ogen neer. ‘Jazeker meester’ antwoordde ze. Het klonk sissend.

‘Mooi’ knikte hij. ‘Dus die oude garde is beetje bij beetje aan het uitsterven?’
De vrouw keek bedenkelijk. ‘Nou’ antwoordde ze aarzelend. ‘Er zijn nog heel wat in leven. Teveel eigenlijk. Maar het gaat goed, echt, geloof me. Als ik zo doorga dan houden ze het niet lang vol.’ Weer dat gesis.
De man leek verheugd.  ‘O?’
Nu keek de vrouw op. Blinde adoratie spatte uit haar ogen. ‘Er zijn al 13 tehuizen gesloten en…’
’13 maar?’ baste de man. De verwilderde lach verdween. Hij fronste en keek zorgelijk.
‘Ja’ haastte de vrouw zich te zeggen. ‘13. Maar…’

’13 tehuizen is veel te weinig. Dit is toch geen tempo?’ zei de man. Hij leek opeens ontstemd.
‘Ja, maar wacht’  siste de vrouw zalvend. ‘Over een paar jaar zijn het er 800. Het gaat echt goed, geloof me!’
‘800.’ De man herhaalde fluisterend het getal: ‘800. Als dat toch eens waar mocht zijn!’ Hij kreeg een dromerige blik.
Toen vermande hij zich. ‘De thuiszorg voor de oudjes is ook al zo goed als ontmanteld hè? Het is niet de bedoeling dat die kadavers het makkelijk krijgen, dat weet je.’

‘Maakt u zich geen zorgen meester’ siste de vrouw. ‘Ook de thuiszorg stelt weinig meer voor. Als het gaat zoals ik gepland heb, dan komt het allemaal goed. De bedoeling is dat, wanneer die oude lijken bij hun kinderen intrekken, ze diréct’  – hierbij sloeg ze met haar rechterhand  tegen de handpalm van haar linker – ‘direct een vette boete krijgen. We willen ze meteen korten op hun AOW. Die oudjes moeten het gevoel krijgen dat ze geen kant op kunnen, als ratten in de val zitten. Opgejaagd wild zal er niets bij zijn.  Ze moeten er uiteindelijk ‘vrijwillig’ – ze hijgde toen ze dit zei – ‘een eind aan maken.’ Veelzeggend bracht ze haar hand naar haar hals en maakte een snijbeweging.

De man knikte. ‘Prima. Als deze groep dood is kunnen we eindelijk in die pensioenpotten graaien. Dan kunnen we zeggen we dat we een onverwachte meevaller hebben.’
Hij lachte satanisch, de man. Zij hinnikte hijgend mee. Enkele van haar slagtanden dreigden uit te vallen – ze duwde ze met een woeste beweging terug op hun plek.

De man keek vergenoegd nadat de vrouw de kamer verlaten had.
Kruiperig had ze bij de deur nog even gevraagd: ‘U bent tevreden over me meester?’
‘Ik had me geen betere Staatssecretaris op Sociale Zaken kunnen wensen’ had hij geantwoord.
‘Meester?’ fleemde ze nog even vanuit de deuropening. ‘Als u het mij permitteert: ik heb een kleine suggestie. Is het niet beter om een naamswijziging in te voeren? Het woordje ‘Sociale’ zit me toch een beetje dwars – echt ‘Sociaal’ is dit alles natuurlijk niet’ maar de man maakte een ongeduldige handbeweging. ‘Wegwezen jij’ blafte hij haar toe en vlug sloot ze de deur achter zich.

Ontspannen haalde de man een hand door zijn haar en sloot zijn ogen. Opeens was hij wat ontroerd. Een glorieuze toekomst wachtte hem. Hij zou de geschiedenisboeken ingaan als misschien wel de aller- aller- Allerbeste Staatsman die er ooit geweest was. Bij die gedachte alleen al moest hij bijna huilen van geluk. Hij snifte een paar keer, de man. Toen hij opkeek blonken zijn ogen verdacht.