column45Het was een mooie zomerse middag in augustus toen de twee vriendinnen – beiden ergens in de veertig – over de Voorstraat fietsten en hun oog op het terras van Wally’s viel. ‘Hier wat drinken?’ stelde een van de vrouwen voor en de ander stemde direct toe. Een plekje vinden ging wat moeilijk maar gelukkig zag een van de vrouwen daar opeens het echtpaar zitten.

‘Mogen we even bij jullie aanschuiven?’ vroegen ze aan de man en de vrouw die zwijgzaam naast elkaar op het houten bankje zaten.
‘Natuurlijk,’ knikten beiden tegelijk. ‘Plaats genoeg.’
Dankbaar ploften de dames tegenover hen neer en bestelden een glaasje wijn. Ze waren al een eeuwigheid vriendinnen en hadden veel plezier samen, dat kon je zien. Nadat de wijn voor hun neus neergezet was – ‘zullen we er ook een gebakje bijdoen?’ – hervatten ze hun conversatie.

‘…en toen zei ik tegen Gerard: ‘Als jij niet wilt stoppen met roken is dat prima. Ik koop desnoods slóffen sigaretten voor je. Maar één ding wil ik je alvast vertellen: als jij vandaag of morgen in een rolstoel belandt met een zuurstoftank op schoot en een slangetje in je neus, ben IK niet degene die de rolstoel voortduwt,’ zei een van de vrouwen.
‘Heel goed,’ knikte de ander. ‘En toen, wat zei hij toen?’
‘Toen is hij gestopt. Gelukkig maar, want dat hoestje was beslist zorgwekkend.’

Op dat moment stootte de man aan het tafeltje juist een forse rokershoest uit en zijn vrouw keek lichtelijk beschaamd.
‘Gaat het?’ zei ze. Op de een of andere manier klonk ze een beetje geïrriteerd – in elk geval een stuk minder bezorgd dan meestal het geval was.
‘Nou en of,’ hijgde de man terwijl hij langzaam rood werd en de boord van zijn overhemd wat losser trok.
De twee vrolijke dames hadden het gehoest nauwelijks in de gaten.
‘En een tíjd dat er in dat roken ging zitten!’ vervolgde de vrouw die het verhaal vertelde. ‘Het was niet normaal. Nou houdt hij veel meer tijd over om te klussen en dat komt goed uit, want ik heb een enorme waslijst met dingen die gedaan moeten worden.’
De andere vrouw knikte lachend. ‘Je hebt het prima aangepakt,’ zei ze goedkeurend. ‘Heel goed. Soms is het wel nodig hè, dat we wat sturing geven? Waar zouden onze mannen toch zijn zonder ons?’
Nergens, was de eindconclusie. Helemaal nergens. Ze hieven het glas en knikten elkaar nog eens lachend toe. Het echtpaar tegenover hen tuurde zwijgzaam de Voorstraat af.

Na enige tijd besloten ze hun heil verder te gaan zoeken. ‘Op de Bredeplaats hebben ze ook lekkere wijn’ grijnsde het duo. Ze pakten ze hun handtas en knikten het echtpaar vriendelijk toe.

‘Dag hoor,’ zeiden ze vrolijk. ‘Nog een fijne dag. Dat zal vast wel lukken hè, met dit mooie weer!’
Het stel groette vriendelijk terug. Toen ze over de Voorstraat wegfietsen werden ze lang nagestaard door de man en de vrouw.
‘Het is toch wat,’ bromde de man uiteindelijk.
‘Tja,’ knikte zijn vrouw. ‘Zeg dat wel.’
Ze keek verlangend de twee giechelende vriendinnen na. Even zweeg ze en herhaalde toen zachtjes, met een stem die doordrenkt was van spijt: ‘Tja. Zeg dat wel.’