Lief dagboek
Gistermiddag zag ik Mike lopen in de stad, ik herkende hem direct. Hij liep over de Voorstraat en zag me niet (of deed alsof hij me niet zag, dat kan ook natuurlijk), en was nog even lang en slungelig als de eerste – en tevens laatste – keer dat ik hem zag, alleen zijn puistjes waren verdwenen. Misschien had hij me trouwens wel gezien maar dacht hij, net als ik, terug aan dat vreselijke moment, het moment dat ik definitief…

 

Wacht, ik dwaal af. Om dit goed te vertellen moet ik terug naar het begin van 2013, naar de dag dat dochter een schoolvriend mee naar huis nam en hem aan me voorstelde.

Toen ik Mike leerde kennen stond hij beneden in de gang – hij trok net zijn jas uit terwijl ik de trap kwam aflopen. ‘Dag Mike, ik ben Lilian, haar oudste zus’ lachte ik vriendelijk terwijl ik een hoofdknik naar dochter maakte. Ik stel me altijd voor als de zus van mijn dochter – dat is een standaardgrapje en tevens een afwijking. Dochter houdt zich per definitie op de vlakte op dit soort momenten; ze staat erbij met haar meest onverschillige gezicht terwijl je haar hoort denken: ‘Laat me hier niet moeilijk over doen, dan is het des te vlugger afgelopen’, een houding die mijn feestvreugde alleen maar verhoogt.

Mike pakte mijn uitgestoken hand, bromde zijn naam en nam me argwanend in zich op.
Waarom hij me zo bekeek snapte ik op dat moment niet; bij de meeste schoolvriendjes en -vriendinnetjes trof ik deze argwaan niet. Niet zo duidelijk in ieder geval. Om het spel nog overtuigender te spelen wendde ik me dus tot dochter en zei: ‘Heeft mama al gebeld?’

Dit ging Mike kennelijk te ver.
‘Ik geloof er niets van’ schudde hij zijn hoofd.
‘Waar geloof je niets van?’ vroeg ik.
‘Dat u (U!!) de oudste zus bent. Dat kan niet.’ Vooral dat ‘dat kan niet’ kwam hard aan.
‘En waarom kan dat niet?’ vroeg ik beheerst terwijl ik voelde hoe de glimlach op mijn gezicht bevroor.
‘Gewoon.’ Hij haalde z’n schouders op. ‘Gewoon, dat kan niet.’
Het werd me TE pijnlijk – voor mezelf dan – om hier verder op in te gaan. ‘Ha ha’ lachte ik krampachtig geforceerd. ‘Wat goed van je!’
Ik draaide me om en liep weg maar bedacht me. Ik wilde toch nog het laatste woord hebben, deze toestand zat me niet helemaal lekker.
‘Goed van je’ complimenteerde ik Mike weer. ‘Jij bent de eerste die me niet gelooft – werkelijk iédereen is er tot nu toe ingetrapt.’
Ik draaide me om en stond al met m’n rug naar hem toe toen hij me de finale dolkstoot gaf.
‘Dát kan niet’ mompelde hij.

Ja, gistermiddag zag ik Mike weer. Hij was nog even lang en slungelig als de eerste – en tevens de laatste – keer dat ik hem zag, alleen waren zijn puistjes verdwenen. Net toen ik dacht dat hij me misschien niet zag – of wilde zien, dat kon natuurlijk ook – keken we elkaar enkele seconden aan. Zonder ook maar enige blik van herkenning gleden zijn ogen onverschillig weg, de andere kant op. Ik huiverde, trok de kraag van mijn jas omhoog en liep zonder op te kijken verder. Opeens voelde ik me jaren ouder.