Toen ze haar ogen opendeed hoorde ze het direct. Dat vreemde geluid. Het was een zacht ploffen van iets dat viel en het kwam van boven. Ze keek omhoog maar het enige dat ze zag was niets. Helemaal niets.
Afgezien van de totale duisternis waarin ze verkeerde had ze het warm. Heet bijna. ‘Wat een hitte’ dacht ze en ze vroeg zich af of ze misschien ergens op vakantie was en bijkwam van een forse zonnesteek.

Haar heup deed pijn. Ze probeerde zich te bewegen, anders te liggen, maar het lukte niet. Ze voelde dat ze zand op haar gezicht had, in haar ogen had. Het voelde vervelend. Ze knipperde een paar keer. Wilde het zand wegwerken. Wilde iets zien. Al wat ze zag was een donkere nacht.

‘Hoe ben ik hier terecht gekomen?’ vroeg ze zich af maar ze kon het zich niet herinneren. Meer en meer werd ze zich bewust van de pijnscheuten die haar hele lichaam teisterden. ‘Vreemd. Ben ik gevallen?’ Ze probeerde haar arm op te tillen maar ook dat ging niet.

Haar lippen waren kurkdroog. Zachtjes maakte ze enkele smakbewegingen en kreeg meteen een vreemde smaak in haar mond. Ze bracht haar tong naar haar linker mondhoek. Het voelde anders. Vreemd. Alsof er een groot gapend gat zat. En die smaak, die ijzeren smaak… ‘Bloed’ wist ze. ‘Ik ben gewond en ik bloed.’

Weer probeerde ze iets te zien maar het lukte niet. Het enige dat haar ogen registreerden was totale duisternis. ‘Laat me alsjeblieft een spoortje licht zien’ bad ze maar hoe meer ze in het donker tuurde hoe duizeliger en gedesoriënteerder ze zich voelde.

Beetje bij beetje voelde ze hoe de paniek toesloeg. ‘Kalm blijven’ sprak ze zichzelf toe. ‘Vooral heel, heel kalm blijven. En nadenken. Hoe ben je hier terecht gekomen? Wat ging hieraan vooraf? Denk. DENK.’

Ze sloot haar ogen en probeerde rustig adem te halen. ‘Denk aan gisteren. Aan vorige week. Wat is het laatste dat je je nog herinnert?’
Flarden van gesprekken en geluiden dwarrelden door haar hoofd. Een liedje van de Beatles. Het gelach van haar moeder. Het geluid van het tuinhekje. Het gekraai van de baby in haar armen. De sleutel die op de grond viel als de deur door een windvlaag dichtviel. Zijn warme, diepe stem. ZIJN STEM. Opeens hoorde ze in gedachten zijn stem: ‘Nog een keer deze grote bek en je hebt een probleem. Een groot probleem.’ Ze verstijfde.

‘O God. O God’ dacht ze. Haar hart bonkte vreemd en ongelijkmatig en haar ademhaling versnelde. Ze hoorde het bloed als een razende pompen in haar oren en ze had het gevoel dat haar oogbollen uit elkaar zouden spatten. ‘O God. Waarom hield ik mijn mond niet? Laat me alsjeblieft een volgende keer mijn mond houden. Laat me een volgende keer alsjeblieft verstandig zijn.’

In weerwil van alles begon ze te giechelen. Het was een vreemd, hysterisch gegiechel dat langzaam overging in krankzinnig gegil terwijl ze als een waanzinnige probeerde haar vastgebonden stuiptrekkende en kronkelende lichaam te bevrijden van het duct tape waarmee het ingezwachteld was. Harder en harder gilde en krijste ze maar haar kreten weerkaatsten in de lege, dode lucht.

‘Ik zal het nooit meer doen!’ gilde ze. ‘Een volgende keer hou ik mijn mond, ik beloof het!’ maar terwijl ze de longen uit haar lijf schreeuwde, terwijl ze wist dat hij daarboven stond en bezig was schep voor schep het gat boven haar hoofd te dichten wist ze ook iets anders: er zou geen volgende keer zijn.