Bron: Pixabay

Bron: Pixabay

Die middag had hij het druk. Eerst haalde hij vers gebak. Toen ruimde hij de keuken op. Die zag er werkelijk niet uit – de aangekoekte potten en pannen hadden zich tot het plafond opgestapeld. Daarna ging hij het gasstel en aanrecht flink schoonschrobben. Vervolgens wierp hij een onderzoekende blik in de woonkamer en schrok van wat hij zag.

Nu hij de kamer opeens met haar ogen bekeek besefte hij wat voor rotzooi het was. Dit was niet al te best. Hij had hier eigenlijk vorige week mee moeten beginnen – hier binnen een paar uur een leefbare omgeving van maken was haast ondoenlijk. Hij keek op zijn horloge. Kwart over drie. Zou er nog tijd zijn om de vitrage ook te wassen? Die zagen bruin en geel van de rook. Misschien moest hij ze er maar helemaal vanaf halen.

‘Peter’, had ze die ochtend op kantoor bij het koffieapparaat tegen hem gezegd, ‘ik vind je een heel aardige jongen maar dat is het dan ook wel. Werkelijk, meer zit er voor ons niet in. Nu moet je echt eens ophouden steeds weer om verkering te vragen’. Ze glimlachte terwijl ze het zei. Het was een medelijdend lachje.

Hij had schaapachtig gegrinnikt. ‘Nou goed dan’, antwoordde hij. ‘Ik leg me erbij neer. Maar we blijven wel gewoon vrienden toch?’

‘Tuurlijk!’ lachte ze. ‘Natuurlijk blijven we vrienden, stel je voor!’
‘En je wilt me vanavond nog wel komen helpen met m’n computer?’

‘Natuurlijk’, lachte ze weer. ‘Dat had ik toch beloofd? Om een uur of 7 ben ik bij je.’ Ze had opgelucht gekeken.

Hij had de rest van de middag vrij genomen van z’n werk. Hij had boodschappen gedaan, vers gebak gehaald. Nu keek hij naar de bruingele vitrage. Die moesten er helemaal af vond hij. Hij balanceerde op de stoel en glimlachte een verwrongen, krankzinnige grijns terwijl hij de vitrage met een woest gebaar van de rails afscheurde. Straks nog even douchen, schone kleren aan en dan wachten tot de bel ging. Zijn hart bonkte van vreugde bij de gedachte alleen al. Hij wist het heel zeker: vanavond zou ze wel verkering met hem willen.