Ik ben niet helemaal mezelf de laatste dagen. Dat heeft met het weer te maken. Serieus. Er zijn mensen die helemaal geen last hebben van de overgang naar de herfst en er zijn mensen die daar wel last van hebben. Ik behoor tot die laatste categorie. Weemoedig sjok ik – al dagenlang – door het leven en zucht heel wat af. Mijn vakantie naar Griekenland, pas 7 weken geleden, lijkt een miljoen lichtjaar geleden en ik zit urenlang onder m’n blauwe lamp.

Die heb ik drie jaar geleden gekocht op aanraden van de huisarts. Ik ging naar hem toe op een winderige regenachtige grijze middag.
‘Zeg het eens, wat kan ik voor je doen?,’ informeerde hij vriendelijk. Ik heb een schat van een huisarts, aardig en geduldig.
Ik kon geen woord uitbrengen en wees alleen maar naar buiten waar op dat moment blad na blad van de bomen dwarrelde. Niet begrijpend volgde hij mijn vinger en de schrik in zijn ogen zal ik nooit vergeten toen hij daarna zag dat ik zowat stikte in mijn tranen.

‘Herfst’ hikte ik en hop, daar ging weer een blaadje.
Hij stelde opname met intensieve therapie voor OF een blauwe lamp en ik koos voor het laatste. Ik rende naar huis en kocht direct zo’n Philipsding waar ik nu elke dag 2 uur onder zit. Volgens de handleiding zou een half uur genoeg moeten zijn maar ik neem geen enkel risico.

Ik ben vroeg begonnen dit jaar. Een paar dagen geleden realiseerde ik me dat dit absoluut noodzakelijk was. Manlief en ik reden over de A7 ter hoogte van Wieringen en het was een grijze, grauwe avond. Regenachtig, dat was het ook. Ik werd overvallen door weemoed en melancholie. Opeens, snoeihard, zag ik de natuur weer in een soort comateuze toestand belanden. Ik zag de boompjes beetje bij beetje doodgaan (ja ja, ik weet dat dit niet zo is maar voor mijn gevoel is het wel zo!), ik zag dat de zon ons ging verlaten. Ik zag de grauwte en de grijsheid van het aards bestaan in al zijn gruwelijke realiteit. (Ja, natuurlijk slaat deze laatste zin nergens op maar ik moet illustreren hoe het op dat moment voelde :-D)

‘Je ziet dat de bomen al blad verliezen hè?,’ zei ik zachtjes tegen manlief die op zijn gemak de auto bestuurde.
‘Ja,’ antwoordde hij.
‘Het is nu echt voorbij hè, de zomer?’ vroeg ik. Ik denk dat ik hoopte dat hij zou zeggen dat er nog voldoende zwem- en barbecuedagen zouden komen maar dat zei hij niet. Hij zei:
‘Ja, de zomer is echt voorbij. Maar het kan nog een prachtige nazomer worden.’
Ik knikte en zuchtte. En ik zuchtte weer en zei: ‘Dat maakt niet meer uit. De zomer is voorbij. De natuur is langzaam aan het doodgaan. Het is afgelopen. De nacht valt over ons heen. We zullen dagen hebben waarop we totaal geen zon en licht zien. Het is weer voorbij.’ De laatste paar zinnen klonken wat onduidelijk omdat ik gesmoord aan het huilen was. Van pure narigheid. Bij de eerste zinnen had manlief nog toegeeflijk geglimlacht maar nu hoorde ik hem roepen:
‘Je bent verdomme echt aan het janken hè?’ Hij was verbijsterd. De tranen rolden over m’n wangen. Toen hij de auto aan de kant zette dacht ik oprecht dat het was om me te troosten maar dit bleek niet het geval. Bij hem rolden ook de tranen over de wangen, maar dan van het lachen.

Het duurt nog duurt zes maanden voordat het weer lente wordt. Dat is natuurlijk niet vol te houden. Ik heb me dan ook voorgenomen om zes uur per dag achter m’n blauwe lamp te zitten. Als ik naar m’n werk ga neem ik hem ook mee en zet hem op m’n bureau. Wie weet voel ik me in maart al een stuk beter.