Het was een winderige en regenachtige aprildag toen tante Ali bij Hendrik-Jan en Afke haar intrek nam. De afgelopen 2 weken waren Hendrik-Jan en Afke druk bezig geweest de logeerkamer gezellig te maken en Hendrik-Jan had zich helemaal neergelegd bij de situatie. ‘‘Onze romantische avondjes op de bank kunnen we voorlopig dus wel vergeten” had hij nog wat tegengesparteld.

Ook vroeg hij, enigszins hatelijk: “Hebben we nog een paar andere familieleden die we misschien ook in huis kunnen nemen?” Hendrik-Jan vond zichzelf erg geestig maar het enige dat Afke zei was: “Wacht maar tot jij zo oud bent lieve. Dan ben je blij met familie. Van de Staat hoef je namelijk absoluut niets te verwachten.”

Hierin moest Hendrik-Jan haar gelijk geven. Dus toen Afke en tante Ali zich op de bank installeerden – de een met een advocaatje met slagroom en de ander met een glas rosé – sloop Hendrik-Jan over de mooie Zoutsloot gauw naar De Lichtboei.

Zijn goede vriend Jan-Willem zat aan de bar en al gauw spraken de twee mannen over politiek. “Ik geloof niet meer in oprechte, integere politici” had Jan-Willem gezegd. “Mijn vader zei altijd: als politicus moet je gespeend zijn van karakter en die ouwe had gelijk.”

“En of hij gelijk had” beaamde Hendrik-Jan. “Ik kijk regelmatig met afgrijzen en verbijstering toe hoe het er in de politiek aan toegaat. Kun jij je nog herinneren hoe onze Wim Kok – die zichzelf een groot staatsman vond – op de barricades stond te brallen toen hij nog bij de vakbond op de loonlijst stond? Eenmaal op het pluche beland was hij niet meer weg te jagen, zo heerlijk vond hij het daar. Toen hij ook nog eens lid van de Raad van Bestuur werd bij de ING maakte hij zich al helemaal ongeloofwaardig. De man keurde alle bonussen en exorbitante salarissen van de bankiers goed terwijl achteraf bleek dat het om onbekwame mensen ging! Het enige waar ze goed in waren was het vullen van de eigen zakken. Sinds Wim Kok begrijp ik hoe het bij politici werkt. Dankzij die man weet ik dat ook míjn vader gelijk had – die zei altijd: ik begrijp dat je als politicus ruggengraatloos moet zijn, maar mag je dan werkelijk geen ENKEL principe hebben?”

“Het zijn allemaal spreadsheetmanagers” antwoordde Jan-Willem. “Ze zouden het in het Unilever-management misschien prima doen maar met hun megalomane ambitie hebben ze Nederland verkwanseld. Er is ooit een periode geweest dat de overheid de burger diende maar die tijd is definitief voorbij. Het zootje dat er nu zit moet een onnoemelijke hekel aan Nederland hebben. Ze hebben geen idealen, het gaat om cijfertjes en winst, niets anders.”

Toen Hendrik-Jan veel later op de avond eindelijk de sleutel in het slot stak verwachtte hij dat beide dames al naar bed waren. Het bleek niet het geval. Tante Ali zat in de fauteuil bij het raam – “mijn fauteuil” – schoot het door Hendrik-Jan heen – en keek hem met stralende ogen aan. “Afke is al naar bed maar ik wou opblijven. Ik zei tegen Afke: ga jij maar slapen, ik wacht wel even op die jongen. Het is zo ongezellig voor hem als hij in een stil huis thuiskomt. Heb je al enig idee wat we morgen gaan doen?” Hendrik-Jan keek in de stralende ogen van tante Ali die er bijzonder wakker uitzag. Hij voelde zich opeens heel klein en nietig. En, onverklaarbaar, opeens ook heel erg moedeloos.