Bargebek, een klein Fries dorpje ergens in 1936

Hoe Gerrit het jaar in jaar uit volhield met Neelie was iedereen een raadsel. ‘Dat mens scheldt, vloekt en tiert de hele dag’, zeiden de dorpsbewoners hoofdschuddend als ze Neelie weer eens hoorde krijsen. ‘Die beschadigt haar stembanden nog eens met dit geschreeuw.’

Gerrit zelf hoorden ze nooit. ‘Die arme man’, zeiden dorpsbewoners dan weer. ‘Hij heeft het overdag zo druk met z’n werk dat hij gewoon de energie niet heeft om terug te vechten.’

Ze woonden aan de rand van het dorp, Gerrit en Neelie, en hadden een grote varkensboerderij. Hier fokte Gerrit varkens die hij zelf ook slachtte en op zich hadden ze het prima voor elkaar. Als Neelie nou maar niet de hele tijd zo aan het tieren was, had Gerrit een prima leventje kunnen hebben.

Naar de kroeg ging Gerrit niet meer. ‘Mag niet van Neelie’, zei de omgeving spottend. Het was nog waar ook.

‘Toch vind ik het jammer Gerrit’, zei Carel, de café-eigenaar, toen hij de varkensboer op een goeie dag tegenkwam. ‘Je moet je niet zo laten ringeloren. Kom vanavond nou weer eens langs – dat ene borreltje zo af en toe vindt Neelie heus wel goed.’
Gerrit knikte. ‘Ik zal eens zien. Vanavond in elk geval niet. Morgen is het slachtdag en daar moet ik fit voor zijn. ‘

De volgende dag was het grijs en kil – een perfecte dag om varkens te slachten. De buren haalden opgelucht adem toen ze nog éénmaal die ijzingwekkende kreet hoorden op het moment dat Gerrit het laatste varken de keel doorsneed.

In de dagen die erop volgden zag niemand Gerrit. Neelie zagen ze trouwens ook niet. De eerste week viel het niemand op en ook in de tweede week was er geen vuiltje aan de lucht, maar in de derde week begonnen de dorpsbewoners zich wat zorgen te maken. Toen de vierde week aanbrak zeiden ze: ‘We moeten bij ze gaan kijken. Dit klopt niet.’

Ze gingen er met z’n allen heen op een regenachtige avond. Iemand had een versgebakken appeltaart meegenomen en een ander weer een fles jenever. Het duurde niet lang voordat Gerrit de deur opengooide.
‘Kom binnen’, riep hij joviaal toen hij zijn dorpsgenoten zag. ‘Leuk dat jullie er zijn. Neelie zal het ook leuk vinden.’

Bij de deur deden de dorpsbewoners hun klompen uit en liepen op kousenvoeten naar binnen. ‘Kijk eens wie we hier hebben lieverd!’ riep Gerrit uit. Neelie zat bij het raam en keek naar buiten. Ze maakte een wat wonderlijke indruk. Toen ze Gerrit hoorde roepen draaide ze zich om en bekeek het gezelschap van top tot teen met een vreemde blik. Ze opende haar mond. Het leek of ze wat wou zeggen als je tenminste de vage keelklanken die ze produceerde meerekende. Na een paar seconden haalde ze haar schouders op en keek hoofdschuddend weer naar buiten.

De vragende blikken die de mensen Gerrit toewierpen ontgingen hem niet.
‘Maken jullie je geen zorgen, er is niets aan de hand’, grijnsde hij. ‘Neelie ziet misschien wat bleek maar ze is kerngezond. Ze heeft alleen wat moeite met praten tegenwoordig hè lieverd? Dat lukt de laatste tijd niet meer zo goed. Het is een beetje stil zo, maar ik denk dat we daar op den duur heus wel aan wennen.’