‘Ik kan er niets anders van maken. Het is gelegaliseerde diefstal.’ De vader van Hendrik-Jan Doordouwer perste zijn lippen op elkaar en keek grimmig voor zich uit. ‘Per jaar verdient het pensioenfonds meer dan 2000 euro aan me. Mijn pensioen zou 200 euro per maand méér moeten zijn dan wat het nu is. Jaar in jaar uit roepen ze dat ze krap bij kas zitten en dat er geen indexatie gegeven kan worden. Het is een schande. Een grove leugen. Het geld in de pensioenkas klotst tegen de plinten op maar ze hebben het nodig voor Europa. Boeven zijn het. Pure diefstal noem ik het.’

Hendrik-Jan Doordouwer knikte instemmend en Afke zuchtte. ‘Nog een borrel pa?’ bood ze aan en rende opgelucht naar de keuken toen de oude man knikte. ‘Graag kind. Maak er maar een dubbele van.’

‘Je vader was vanavond wel wat fanatiek hoor’, vond Afke later. Pa was naar huis en Afke lag uitgeteld op de bank.
‘Pa heeft groot gelijk’, was het antwoord van Hendrik-Jan. ‘Het is TE erg wat de pensioenfondsen – in opdracht van de regering nota bene – geflikt hebben. Er is schaamteloos gegraaid en dat ze het zo lang al kunnen doen is eigenlijk een wonder. Pa is terecht woedend en…’

‘Ja ja, hou maar op’, zuchtte Afke. Ze rekte zich uit en deed haar ogen dicht. Een diepte stilte daalde neer over het huisje en het was een mooi moment voor Hendrik-Jan om zijn gedachten toe te vertrouwen aan het dagboek waarmee hij sinds kort begonnen was.

‘Vanmiddag beving mij een gevoel van volslagen verbijstering en totale ontzetting. Wat was het geval: met Afke ging ik naar de Action. Op weg daarheen was ik nog vrolijk en blij. ‘Wat fijn Afke’, zei ik, ‘dat het leven weer normaal is. Geen kerstspullen meer in de winkel. Geen slingers, ballen en verlichting.’
Afke was het met me eens. Dacht ik. Eenmaal in de Action werd ik overvallen door een gevoel van intense wanhoop. De paastakken, paaseieren, paaslampionnen en wat dies meer zij vlogen me om de oren. Waar ik ook keek: het was alleen maar Pasen wat de klok sloeg. Het was voor een normaal mens teveel. Het deed me denken aan vorig jaar september. De zomervakantie was net afgelopen en de pepernoten en chocoladeletters werden ons toen ook met fors geweld opgedrongen.
‘Ik wacht buiten op je’, riep ik wanhopig naar Afke en met bonkend hart rende ik de winkel uit.
Eenmaal buiten kalmeerde ik enigszins. Ik verheugde me op het eten dat ik bij Meester Cornelis zou bestellen en realiseerde me dat ik bij de Mitra nog een fles jonge jenever voor pa moest halen.
Toen Afke – eindelijk – de winkel uitkwam met aan beide armen 3 zakken bungelend, volgepropt met paasspullen, schoot mijn gemoed vol. Afke dacht dat ik ontroerd was. Ik kon geen woord uitbrengen. Mijn wanhoop kende geen grenzen.’

Hendrik-Jan staarde naar buiten. De fijne regen viel gestaag neer en hij had het gevoel dat het wel eens koud zou kunnen zijn.
‘Ach ja’, zuchtte Hendrik-Jan en schudde zijn hoofd. Hij keek naar Afke die er liefelijk uitzag, zoals ze daar op de bank lag te slapen.
Toen zijn blik bleef rusten op de grote chocolade paashaas die hem vanaf het dressoir toegrijnsde had hij het gevoel dat de adem in zijn keel stokte. Met een gevoel van immense wanhoop legde hij zijn hoofd in zijn handen en kreunde. Hij moest maar eens naar bed en goed uitrusten. De komende weken zouden al zwaar genoeg zijn.

————————

Hendrik-Jan Doordouwer verschijnt om de week in de Harlinger Courant. Hij moppert heel wat af maar gelukkig is daar Afke die hem altijd wel weer uit de put weet te trekken. Hoewel…..

column28