© Bron: Pixabay - bronze-sculpture-2736575_1280Achteraf zouden de mensen uit het dorp zeggen: ‘Dat mens moet de wanhoop nabij geweest zijn’ maar tot die bewuste woensdag 7 januari in het jaar 1970, vandaag precies 45 jaar geleden, noemde iedereen haar alleen maar de oude vrijster. Een enkeling noemde haar een beetje vreemd maar wanhopig – nee, die term zou beslist niet in iemands hoofd opkomen.

Dat ze een oude vrijster was, dat klopte wel. Met haar grijze knotje, kleine ronde brilletje en grauwe nietszeggende kleding was mevrouw Sickema het toppunt van degelijkheid en toen ze in de herfst van haar leven opeens echt verliefd werd wist ze niet wat haar overkwam.

‘Zo voelt het dus om verliefd te zijn’, jubelde ze gedurende de gehele decembermaand van 1969. ‘Dit is dus waar ze het altijd over hebben als het over liefde gaat’.

Hele dagen fluisterde ze zijn naam: ‘Septunun’ en liep rond met een vage glimlach op de lippen. Ze had hem leren kennen toen ze op een koude namiddag over het strand liep. Hij lag met ontbloot bovenlijf in de branding en Mevrouw Sickema kon haar ogen niet geloven.

‘Volgens mij droom ik’ dacht ze en ze kneep zichzelf een paar keer flink in de arm maar kwam tot de conclusie dat ze allesbehalve sliep.

‘Gaat het een beetje meneer?’, vroeg ze toen ze hem genaderd was. Ze was, vreemd genoeg, niet eens bang. De bebaarde man keek haar aan en glimlachte. Dat was het moment dat Mevrouw Sickema halsoverkop verliefd werd en niet zo’n klein beetje ook.

De rest van de middag zaten ze samen in een duinpan op het strand. Normaal gesproken zou ze dat natuurlijk nooit gedaan hebben maar deze man voelde zo veilig en vertrouwd, het was alsof ze hem al jaren kende.

Toen het donker werd liep ze naar huis. ‘Morgen ben ik er weer!’ beloofde ze. Ze was zeldzaam gelukkig. Ze had een vriend. Ze had iemand om van te houden. Wat voelde dit goed.

De volgende dag was hij er niet. En de dagen daarna ook niet. Mevrouw Sickema voelde zich eenzaam en verdrietig. Dit was vreselijk. Hoe kon dit gebeuren? Ze had hem net ontmoet – moest ze hem nu alweer laten gaan?

Op oudejaarsavond zat ze bedroefd in haar huisje aan het strand. ‘Ik snap er niets van’, dacht ze. ‘Ik begrijp niet wat er gebeurd is. Ik zal het me toch niet verbeeld hebben allemaal? Ben ik misschien overspannen of zo?’ Ze staarde naar buiten, de donkere nacht in, en hoorde hoe de wind tegen het huis beukte. Onwillekeurig trok ze haar zelfgebreide sjaal wat steviger om zich heen. ‘Er is niets mis met je’, sprak ze zichzelf bemoedigend toe. ‘Je zal hem terugvinden, wees gerust’.
Ook die allereerste dagen van het nieuwe jaar verliepen zonder enig teken van Septunun, maar vol goede moed trok ze die woensdag de 7de januari toch weer naar het strand.

‘Septunun!’ riep ze. Ze hield haar beide handen bij de mond en herhaalde zijn naam. Ze kneep haar ogen samen en tuurde de horizon af. ‘Septunun!’ riep ze weer. Opeens maakte haar hart een sprongetje. Daar! Zag ze het goed? Was het een golf of was het werkelijk een arm die naar haar zwaaide? Ze zag het goed! Hij was er en wenkte haar!

Mevrouw Sickema aarzelde geen moment. Ze smeet haar wandelstok neer en legde haar handtas, samen met haar grote zelfgebreide sjaal, op het zand. Daarna stapte het water in. De ijskoude golven deerden haar niet. Stapje voor stapje deed ze vooruit, steeds dieper, totdat de bodem onder haar voeten verdween. Ze raakte even in paniek toen ze voelde hoe haar longen zich vulden met ijskoud water maar terwijl ze door de woeste golven werd meegesleurd en steeds verder weg zakte voelde ze hoe ze overspoeld werd door een zeldzaam geluksgevoel en liet ze zich gewillig meevoeren, de peilloos donkere diepte in.

Mevrouw Sickema is nooit teruggevonden. Toch zijn de dorpsbewoners haar nooit vergeten en elk jaar, als de kalender 7 januari aangeeft, wordt ze herdacht. De mensen glimlachen dan medelijdend, schudden het hoofd meewarig en zuchten: ‘Het blijft vreemd dat mevrouw Sickema die dag zomaar het water inliep. Die vrouw moet werkelijk verschrikkelijk wanhopig geweest zijn.’