Toen Afke ‘s ochtends aan Hendrik-Jan vroeg: ‘Wat ben je aan het doen lieve?’, had ze direct door dat ze die vraag beter niet had kunnen stellen. Ze kwam binnen van het winkelen op de Voorstraat, deed haar jas uit, zette haar handtas neer op de eettafel en zag Hendrik-Jan verwoed schrijven.

‘Ik probeer een leuk stukje te schrijven,’ murmelde hij. ‘Stel dat het écht leuk is, dan stuur ik het naar de Harlinger Courant. Wie weet willen ze het nog plaatsen ook. Zal ik wat voorlezen?’

‘Toe maar’, zei Afke. Ze klonk wat bedenkelijk en je kon zien dat ze er weinig vertrouwen in had.
‘Ik ben enorm tevreden, al zeg ik het zelf’, glunderde Hendrik-Jan. Hij rechtte zijn schouders en begon met zijn mooie diepe, sonore stem voor te lezen:

‘De Oppermarionet
Er was eens een land dat geregeerd werd door een groot aantal marionetten die met geen mogelijkheid van het pluche af te slaan waren. De marionetten noemden zichzelf ‘ministers’. Ze deden er alles, maar dan ook echt alles aan om op het pluche te mogen blijven zitten. De baas van het clubje noemden ze de Oppermarionet. Hij was een vrolijk grijnzende man die feitelijk niets anders deed dan wat lachen. Een van de andere marionetten heette PlakSterk en toen er ooit een moment aanbrak dat het erop leek dat hij op moest stappen, boog, kronkelde en wentelde hij zich in alle hoeken en gaten om in Hemelsnaam maar op dat pluche te mogen blijven zitten. Ook …’

‘Waar gaat dit in hemelsnaam over Hendrik-Jan?’, vroeg Afke. ‘De Oppermarionet?? Tssss… Hoe haal je het in je hoofd? Ik heb hier eigenlijk geen tijd voor. Ik moet straks naar de kapper en vergeet je niet dat we vanavond de Griekse avond in de Weinstube hebben? We gaan erheen met Anton en Evelien.’
Hendrik-Jan knikte. Natuurlijk was hij het niet vergeten, hij verheugde zich enorm op de overheerlijke Griekse maaltijd die hem te wachten stond.

‘Ik zou ook maar iets veranderen aan dat stukje’, zei Afke terwijl ze naar de keuken liep. ‘Ik denk niet dat de Harlinger dit stukje plaatst. Het slaat nergens op, de toon is gewoon niet goed.’

Hendrik-Jan dacht even na en begon toen ijverig opnieuw:
‘Nederland is zo langzamerhand een open inrichting geworden. Dat ons Kabinet niets anders doet dan ons, argeloze burgers, beroven en het geld in de bodemloze putten van het buitenland te storten moge wel duidelijk zijn. Dat ons Kabinet daarnaast ook ernstig lijdt aan een ‘Doofpotmentaliteit’ is eveneens duidelijk. Dat, onder dit Kabinet, een stuitende bonusmentaliteit tot volle wasdom mocht komen en onuitroeibaar zal blijken te zijn is een voldongen feit.’

‘Ik ga naar de kapper lieve!’, hoorde hij Afke roepen. Ze pakte haar jas en handtas en liep richting voordeur.
‘Wacht even, laat me je nog een klein stukje voorlezen, misschien vind je dit beter’, verzocht Hendrik-Jan. Toen hij klaar was met voorlezen haalde Afke haar schouders op. ‘Je snapt toch wel dat dit ook niet de juiste toon is Hendrik-Jan? Geen enkele krant plaatst dit soort stukjes.’

Met een klap trok ze de deur achter zich dicht. Hendrik-Jan zuchtte. Een leuk stukje schrijven was zo gemakkelijk nog niet. Misschien moest hij maar even naar buiten gaan, de Noorderhaven op. Wie weet kwam de inspiratie dan wel vanzelf.

Hendrik-Jan Doordouwer verschijnt om de week in de Harlinger Courant. Hij moppert heel wat af maar gelukkig is daar Afke die hem altijd wel weer uit de put weet te trekken. Hoewel…..