Wezenloos zat hij aan de eettafel met het briefje in zijn hand geklemd. Hij kon zich niet voorstellen dat hij werkelijk las wat erop stond. Het kon haast niet.
‘Dit is een grap,’ dacht hij en hij probeerde op te staan maar zijn benen weigerden. De ketel op het vuur begon zachtjes te fluiten – hij was van plan thee te zetten – maar dat geluid drong vaag tot hem door. ‘Dit is een grap,’ dacht hij weer maar op de een of andere manier kon hij zichzelf niet overtuigen.

Vanuit de naastgelegen kamer hoorde hij krijsen en schreeuwen, gevolgd door een harde klap en gehuil. Normaal gesproken was hij gaan kijken wat er aan de hand was. Nu niet. Nu interesseerde het hem even niet.

Het was zo mooi begonnen. Hij had haar leren kennen via een internetsite. ‘Het wordt tijd voor een nieuwe vrouw in mijn leven,’ had hij zich op een ochtend monter bedacht. Nadat Helene bij hem weg was gegaan had hij zichzelf de tijd gegund om over haar heen te komen. Na een maand of 3 was hij zover. Diezelfde ochtend schreef hij zich in op diverse relatiewebsites en na enkele dates was hij haar tegengekomen. Ze was leuk, vrolijk, lief, charmant en grappig. Ze was intelligent en kon hem laten lachen. En hij viel als een blok voor haar.

‘Zullen we trouwen?’ vroeg hij na 6 weken en ze zei volmondig ja. Dat ze drie kinderen had vond hij geen enkel bezwaar. ‘Met de vader heb ik geen contact meer,’ had ze hem verteld. ‘Hij is ‘m gesmeerd, de klootzak. Geen idee of hij nu nog leeft.’
Dat ze geen familie had vond hij zielig en hij wilde graag samen met haar een echte familie vormen. Alles werd in gang gezet om de kinderen op zijn naam te zetten en dat lukte. Hij werd hun officiële en wettelijke vader. Hij was gelukkig. Zij ook.

Dacht hij.

Dat dacht hij werkelijk. Daarom wilde hij nu heel graag geloven dat het een grap was, maar toch: iets zei hem dat dit geen grap was. Iets zei hem dat dit de bittere, gruwelijke werkelijkheid was. Hij vouwde het stukje papier open en las voor de zoveelste keer met grote, holle ogen de paar woorden die ze vlug en slordig neergekrabbeld had.
‘Bedankt dat je op de kinderen past’ stond op het briefje.
‘Het ga je goed.’ Meer niet.

Niet eens ‘liefs’ of ‘kus’ had ze eronder gezet. Pas toen de fluitketel droog dreigde te koken ontwaakte hij. Vanuit de kamer ernaast hoorde hij gerinkel en het geloei van de kinderen ging hem opeens door merg en been.
‘Kom,’ dacht hij terwijl hij zich afvroeg of de doffe pijn die hij op zijn borst voelde wel normaal was. ‘Kom. Laat me maar eens aan de ontbijttafel beginnen. Met het briefje nog in zijn hand geklemd stond hij langzaam op.