Hij heeft het direct in de gaten als ze wakker is. Alsof hij in het bezit is van een ingebouwde sensor – hij merkt elke beweging van haar op. Waar ze ook is en wat ze ook doet. Hij zegt niets als ze zachtjes opstaat en naar het raam loopt. Ze trekt voorzichtig de dunne gordijnen open en het maanlicht valt naar binnen. Hij houdt zijn adem in – wat is ze mooi, zoals ze daar staat.

‘Je mag het raam wel opendoen’ zegt hij. ‘Het is warm, vind je niet?’ Zijn woorden klinken veel luider dan de bedoeling was.
Zonder te antwoorden doet ze het raam open. Een koel briesje danst de kamer in.

In de verte hoort hij het geluid van de zee. Als de wind goed staat kun je de zee duidelijk horen.

Hij slaat het laken van zich af en blijft even zo liggen. Hij geniet van het moment. Van de nacht, van de stilte. Van haar silhouet. Daarna staat hij op. Zijn voeten raken de koele, gladde tegels en hij schiet in zijn slippers.

‘Wat is er?’ vraagt hij terwijl hij haar liefdevol omhelst. ‘Kun je niet slapen?’
Hij voelt dat ze verstijft en het doet hem pijn. Ooit zou ze zich tegen hem aanvlijen en liefkozend met haar handen door zijn haar gaan. Nu…

Ondanks het feit dat het een warme nacht is rilt hij. Zo staan ze daar een tijdje. Daarna zegt ze, zo zachtjes dat hij haar nauwelijks hoort: ‘Het spijt me’.

Ze draait zich naar hem toe, haar ogen wijd open. ‘Het spijt me’, fluistert ze nog een keer.

‘Wat spijt je?’ wil hij haar vragen. Hij wil haar vragen wat er aan de hand is. Waarom ze niet gelukkig is. Wat hij moet doen om haar gelukkig te maken. En terwijl hij moed verzamelt om dat alles te vragen zucht ze, legt haar hoofd tegen zijn borst en slaat haar armen om hem heen. Hij sluit gepijnigd zijn ogen en snuift, als een wild dier, de lucht op van haar pas gewassen haar. Misschien is het beter om niets te weten.