‘Hoe ben ik hier in godsnaam terecht gekomen?’, vroeg de oude man zich wanhopig af. Hij had geen idee. Hij realiseerde zich dat hij geen schoenen aan had en op blote voeten op hobbelige keien stond. ‘Ik heb verdomme zelfs mijn pyjama aan’, bedacht hij zich met een schok. ‘Ik begrijp het niet. Ik begrijp niet wat hier aan de hand is.’

Zijn handen deden pijn en zaten onder het bloed. ‘Volgens mij zijn mijn knokkels gebroken’, dacht hij terwijl hij probeerde zijn vingers te bewegen. Hij had een ijzersmaak in zijn mond. ‘Die gek heeft er aardig op los gebeukt’, dacht hij en hij wankelde. ‘Zelfs m’n tanden heeft hij eruit geslagen’. Hij spuugde twee tanden uit en veegde zijn mond af. Boven zijn wenkbrauwen had hij een grote snee waar bloed uitliep en het vermengde zich met het zweet op zijn voorhoofd. Het liep zijn ogen in en belemmerde zijn zicht. ‘Warm. Het is warm. God, hoe kan het dat het zo warm is?’, vroeg hij zich af. Hij knipperde een paar keer en probeerde zijn troebele beeld scherp te stellen.

‘Waar ben ik en hoe ben ik hier beland?’, vroeg hij zich weer af. Hij was bang. Hij ademde gejaagd en zijn hart bonkte in zijn keel. Hij stond in het midden van een kring vol mensen en bevond zich op een soort – ja, wat was het? ‘Het lijkt wel een middeleeuws plein verdomme. Maar hoe ben ik hier toch beland?’

Honderden ogen keken hem aan. Angstige ogen. ‘Wie zijn al die mensen? Waar komen ze vandaan? Komen ze alleen maar kijken hoe ik hier afgemaakt word? Waarom doet niemand iets?’ Hij begreep het niet. Hij wou lucht hebben. Hij was bang.

‘Nog één leuk spelletje en dan mag je gaan’, hoorde hij een stem. Hij stond oog in oog met… Met wie? Wie was deze man die hem zo aftuigde? Wie waren al deze mensen toch? Wat deed hij hier op dit middeleeuwse plein op blote voeten in zijn pyjama?
‘Ik ben tegen een psychopaat aangelopen’, realiseerde de man zich. ‘En iedereen is bang voor deze gek. Daarom staan ze allemaal met grote bange ogen toe te kijken zonder iets te doen.’
‘Als je deze opdracht goed volbrengt mag je naar huis. Zo niet.. tja.’ De psychopaat haalde nonchalant zijn schouders op en grijnsde. ‘Je weet wat de bedoeling is hè?’ vroeg hij. ‘Je duikt voorover de put in, met je handen vastgebonden op je rug. Als het je lukt de put uit te komen dan ben je vrij.’

‘Dat lukt me nooit’, wist de oude man. De put was ZO smal – er voorover induiken betekende geen ruimte hebben om te kunnen draaien. Hij zou ondersteboven stikken. Verzuipen als een rat.

‘God, alsjeblieft’, bad hij in stilte. ‘Alsjeblieft. Doe me dat niet aan. Geef me een hartstilstand. Laat mijn hart er NU mee ophouden. Niet dit. Alsjeblieft God. Niet dit.’

————–

‘Hartstilstand’, concludeerde de arts terwijl hij het laken omhoog trok. ‘Uw man is in zijn slaap gestorven.’
Hij draaide zich om naar de vrouw die naast hem stond.
De vrouw slikte en veegde een traan weg. ‘Hij heeft toch niet geleden hè dokter?’ vroeg ze.
‘O nee’, schudde de arts zijn hoofd. ‘Maakt u zich daar maar geen zorgen om. Hij is heel rustig ingeslapen. Uw man heeft een prachtige dood gehad.’