‘Ik neem je vanavond mee uit eten Afke’, zei Hendrik-Jan op een grijze vrijdagavond. ‘We hebben dat, sinds tante Ali in huis is, niet meer gedaan. Hoog tijd dunkt me.’ Hij keek op van zijn laptop en bewaarde zijn document. Hij had net een brief geschreven waarin hij alle ouderen van Nederland opriep om in het gevang te belanden.

‘Zorg dat je in de gevangenis terecht komt’, had hij geschreven. ‘Ik garandeer jullie: daar hebben jullie het pas écht goed. Bovendien heb je in de gevangenis wél elke dag recht op een douche. Vergeet natuurlijk ook niet de gratis maaltijd en medische verzorging en…’ Hij was nog wat argumenten aan het bedenken toen zijn blik op Afke viel, die er wat moe uitzag. Afke vond het direct een goed idee.

Arm in arm liepen ze even later over de Zoutsloot. Het begon al te schemeren. ‘Wat wordt het al vroeg donker hè?’ merkte Hendrik-Jan op en Afke rilde. ‘Ik heb helemaal geen zin in de winter’.
In Het Noorderke was het druk maar gelukkig kregen ze een plekje bij het raam. ‘Gezellig, al die mensen’, glunderde Afke en Hendrik-Jan keek haar verliefd aan. Ze zag er prachtig uit. Het beloofde een romantisch avondje te worden, dat voelde hij. ‘Op ons’, glimlachte hij liefdevol bij het proosten en hij hief zijn glas.

Ja, alle ingrediënten waren aanwezig om het een romantische avond te laten worden en als Hendrik-Jan nou maar niet zijn mes had laten vallen was dat ook gebeurd.
‘Hee’, hoorde hij Afke roepen toen hij aan het zoeken was naar zijn mes. ‘Wat grappig!’
‘Wat is er grappig?’ wou hij weten terwijl hij moeizaam overeind kwam.
‘Toen je net bukte zag ik het: je wordt kaal!’
Het klonk alsof ze het via een megafoon de zaal in schalde. Hendrik-Jan voelde hoe hij verstijfde. Zijn kaken verkrampten. Wonderwel slaagde hij erin te glimlachen en weer een hapje naar zijn mond toe te brengen. ‘Tja’, mompelde hij. ‘Dat kan’.
‘Toe, bedelde ze, laat nog eens zien?’ Ze ging er nog half bij staan ook. ‘Warempel, ik geloof echt dat je…’

‘Het is goed Afke,’ kreunde Hendrik-Jan terwijl hij zijn mond afveegde met het servet dat hij als een drenkeling vastgeklemd hield. ‘Ik begrijp het. Ga in Godsnaam weer zitten.’ De glimlach was een verwrongen grimas geworden en zijn eetlust was verdwenen.

Hendrik-Jan keek naar Afke zoals ze daar zat en bracht onwillekeurig zijn hand naar zijn iets dunner wordende haardos. ‘Ze heeft gelijk’, bedacht hij zich, zijn schedel voorzichtig betastend. ‘Ze heeft inderdaad gelijk.’ Zijn sombere blik gleed naar buiten en hij staarde het donker in. De Noorderhaven lag er eenzaam en verlaten bij. Hendrik-Jan zuchtte. Opeens voelde hij zich erg ver van Afke verwijderd.