Het was stil die middag in café De Beerput. Aan een tafeltje verderop in een hoekje zat slechts één man die lodderig voor zich uit staarde – de standaard alcoholist die elk zichzelf respecterend café bezit – en aan de bar zat cafébezoeker nummer twee. Aan zijn voeten lag een grote oude hond en op de een of andere manier maakte de man een eenzame indruk.

‘Mag ik een whisky met ijs alsjeblieft?’ vroeg de bezoeker. De barkeeper knikte. ‘Maak er maar een dubbele van’ verzocht de man.

Uit zijn jaszak haalde hij een koekje tevoorschijn en bukte zich. ‘Kijk eens, dit is voor jou’. Hij zei het liefdevol en zijn blik verzachtte zich. De hond kwispelde en keek de man met haar trouwe bruine hondenogen liefdevol aan.
‘Lief hondje’, zei de barkeeper losjesweg. Hij zette de whisky voor de man neer en ging door met het omspoelen van de bierglazen.

‘Dat is het enige levende wezen van het vrouwelijke geslacht dat ik nog vertrouw’, mompelde de man terwijl hij zich oprichtte.
‘Zo?’ De barkeeper trok zijn wenkbrauwen vragend op. Als barkeeper wist hij precies wat er van hem verwacht werd. Gewoon een luisterend oor bieden, meer niet.
‘Ja, het enige levende wezen´, herhaalde de man.
‘Dat klinkt wat treurig. Is daar ook een bepaalde reden voor?’

De man keek de barkeeper peinzend aan. ‘Ik heb veel vrouwen gehad. Tientallen. Honderden misschien. En ik vond ze leuk en amusant. Grappig. Maar de laatste… ik weet het niet. Ik denk dat ik toen definitief afknapte’.
‘Wat was er met de laatste?’ wilde de barkeeper weten. Hij veegde quasi nonchalant de bar schoon en vulde de schaaltjes met pinda’s bij.
‘De laatste… tja. Ik weet het niet. Je zou kunnen zeggen dat de laatste me de ogen definitief geopend heeft. Kijk, dat vrouwen gemeen waren, dat wist ik wel. Maar die laatste…’
De nieuwsgierigheid van de barkeeper was nu werkelijk gewekt.
‘Wat deed ze dan, de laatste?’
De man keek mistroostig naar het glas dat voor zijn neus stond. ‘De laatste… ach ja. Schenk eerst nog wat bij wil je?’
De barkeeper liep weg met het glas, vulde het bij met ijs en whisky en zette het voor de man neer.

‘Nou?’ vroeg hij toen. ‘Wat deed ze dan, de laatste?’
‘Och’, zei de man. ‘Er gingen me gewoon wat dingen dwars zitten. Heel erg dwars zitten zelfs. Dingen die ik liever niet gezien had. Maar toen ik ze eenmaal zag, kon ik ze niet meer van me afzetten. Zelfs toen ik tegen mezelf zei: waar maak je je druk om, kon ik ze niet meer van me afzetten’.
De barkeeper knikte begrijpend. ‘Ja. Ik snap het. Dat heb je met vrouwen hè’.
‘Het was misschien een soort solidariteit. Van man tot man. Maar toen ik zag hoe schandalig ze met haar vorige man omging dacht ik: ‘Kerel, kijk uit. Op een dag gaat ze ook zo met jou om’. Toen knapte ik af. Snap je? Toen knapte ik definitief af. Ik vond haar zo intens gemeen opeens. Ik kotste gewoonweg van haar’. De man rilde en wendde zijn blik af. Hij was met zijn gedachten mijlenver weg.

De barkeeper knikte wat teleurgesteld. Hij had wat meer verwacht van het verhaal. Hij sloeg de theedoek die op de bar lag over zijn schouder en draaide de kraan open, een deuntje fluitend terwijl hij doorging met het omspoelen van de bierglazen.

De man aan de bar sloeg zijn glas whisky achterover. Niemand zei meer iets. Toen grabbelde de man in zijn zak naar weer een koekje. ´Jij bent in elk geval wél betrouwbaar’ mompelde hij terwijl hij zich bukte. De hond kwam stram overeind en kwispelde. In de hoek aan het tafeltje schraapte de alcoholist zijn keel. Het klonk als een onderdrukte snik.