‘Wat ik zo erg vind’ zei de oude dame, ‘is dat ik haar geloofde. Alles slikte ik als zoete koek. Ik snap nu nog niet hoe ik dat heb kunnen doen’.

De jonge vrouw tegen wie ze sprak glimlachte begripvol. ‘Ik waarschuwde je nog zo…’ maar voordat ze haar zin af kon maken ging de oude dame door: ‘Wat ik zo erg vind is dat ik haar tranen voor verdriet aanzag. Wat heeft ze hem zwart gemaakt! Wat heeft ze vreselijke dingen over hem gezegd! Ik geloofde haar. Ik was ervan overtuigd…’
‘Dat ze de waarheid sprak. Ik weet het’ vulde de jonge vrouw aan.
‘Ja’ mompelde de oude dame. ‘Dat ze de waarheid sprak. Ze was soms zo emotioneel zie je, ze huilde zo hartverscheurend…’

Nu glimlachte de jonge vrouw. ‘Jaaaaa’ zuchtte ze langgerekt. ‘Dat kennen we wel van haar, dat huilen. Hoe vaak heb ik niet tegen je gezegd: ze kan op commando huilen?’

‘Ja’ gaf de oude dame aarzelend toe. ‘Je hebt het wel eens gezegd’.
‘Wel eens!’ Nu lachte de jonge vrouw uitbundig. Het was een warme, prettige lach. ‘Ik zei het na ELK telefoongesprek dat je met haar voerde!’

De oude dame nipte even van haar glaasje port. Ondanks haar leeftijd zag ze er prachtig uit, deze oude dame. Met haar mooi gekapte blonde haren, haar blauw-grijze ogen die altijd vrolijk lachten en een huidje waarvan menigeen zich verbaasd afvroeg: ‘Hoe doet ze dat toch?’ werd ze altijd een jaar of 15 jonger geschat.

‘Wat ik ook zo erg vind is dat ik hem – al is het maar éven – er op beoordeeld heb’ ging ze verder terwijl ze haar glaasje neerzette.
‘Dat geeft niet mam’ troostte de jonge vrouw. ‘Het is nu toch goed tussen jullie?’
‘Ja, Goddank’ knikte de oude dame. ‘Maar toch. Ik heb me laten meeslepen in haar hysterische leugens en dat was niet goed. Ik heb me laten vergiftigen’.

Ze zaten even in stilte naast elkaar op de bruine bank, de moeder en de dochter. Tussen hen in lag een klein hondje dat beide vrouwen om de beurt gedachteloos aaiden. ‘Ik moet eens een nieuwe bank kopen’ begon de jonge vrouw. ‘Deze begint ondertussen al aardig te …’ maar de oude dame sprak er overheen: ‘Het ergste vind ik…’
‘Dat je geen contact meer met haar hebt’ vulde de jonge vrouw spottend aan.
Nu lachte de oude dame. ‘O nee. Dat is eerder een opluchting. Nee, het ergste vind ik dat ik haar vertrouwde’.
Ze zwegen allebei. Buiten was het mistig en regende het druilerig maar binnen brandden de lichtjes van de kerstboom en het flakkerend kaarslicht van de waxinelichtjes wierp een sfeervolle gloed over de salontafel. Er heerste een grote warmte, een liefdevolle harmonie. Alles was vredig en goed.

‘Dat ik haar vertrouwde’ herhaalde de oude dame. ‘Dát vind ik het ergste. Dat vind ik het meest onbegrijpelijke. Hoe heb ik zo dom kunnen zijn?’
De jonge vrouw glimlachte en pakte de hand van haar moeder. ‘Je hebt er weer een les in het leven bijgeleerd’ zei ze. ‘Een mooier cadeau dan dat kun je niet wensen’.

Ook de moeder lachte nu en greep weer naar haar glaasje port. Het kleine hondje stond op, rekte zich uit, sprong van de bruine bank en slofte langzaam naar zijn mandje. Buiten was het mistig en regende het steeds harder maar binnen brandden de lichtjes van de kerstboom en het flakkerend kaarslicht van de waxinelichtjes wierp een sfeervolle gloed over de salontafel. Er heerste een grote warmte, een liefdevolle harmonie. Ja, alles was vredig en goed.