Alles in haar hele wezen was erop gericht hem te vangen. Hem vangen was niet het grootste probleem. Moeilijker werd het hem te binden en te houden.
Om hiervoor te zorgen had ze voor zichzelf een rigide levensstijl uitgestippeld. Ze waren even oud maar naarmate de klok tikte werd zij ouder en hij aantrekkelijker. Omdat ze wist dat hij van jong, slank en mooi hield besloot ze er alles voor te doen om jong, slank en mooi te blijven.

Dit hield in dat ze:
Nauwelijks meer alcohol dronk (‘slecht voor je huid’)
Niet meer snoepte
Met grote regelmaat naar de kapper ging
Wekelijks in de schoonheidssalon te vinden was
Altijd op dieet zat
Niet meer laat naar bed ging
Zo min mogelijk lachte (‘zo voorkom je kraaienpootjes’)
Constant bezig was zichzelf te verbeteren en perfectioneren zodat hij in Godsnaam weer naar haar zou kijken zoals hij ooit naar haar keek. Lang geleden.

Toen hij op een avond dood neerviel in de kroeg was ze verdrietig. Op de dag van de begrafenis was ze bleek en aangeslagen. ‘Jullie waren zo’n perfect stel’, zeiden al zijn vrienden en ze knikte. Haar eigen vrienden waren afwezig. Die had ze feitelijk ook niet meer sinds ze besloten had zich compleet naar hem te voegen. Na een hectische dag keerde ze naar huis terug. Alleen. Dat wilde ze beslist.

Het was grijs en regenachtig toen ze de auto de straat inreed. Ze opende gehaast de voordeur, schopte in de gang haar schoenen uit, holde naar de ijskast waar een overheerlijke hazelnoottaart haar toegrijnsde en schonk zichzelf een groot glas wijn in.
‘Hè hè’, verzuchtte ze terwijl ze genietend de hazelnoottaart naar binnen werkte en gulzig haar wijn naar binnen gulpte. In niets deed ze denken aan een bedroefde weduwe en dat was ze misschien ook niet want toen ze opstond om een tweede hazelnootpunt te pakken kon je haar zachtjes horen murmelen: ‘Hè hè. Eindelijk kan ik weer eens mezelf zijn.’