‘En toch, zei de man, ‘begrijp ik het niet. Onze laconieke houding. Wat is er aan de hand in dit land? Waarom pikken we alles maar? In andere landen gaan ze de straat op. Demonstreren ze, staken ze. Maar hier? Nee hoor, wij laten ons alles welgevallen. Vinden het prima dat we moeten doorwerken tot ons 67ste. Dat de pensioenpotten leeggeroofd worden.

Ze vertellen ons doorlopend dat het geld op is maar het is niet waar Dirk. Het is niet waar! Het geld klotst letterlijk tegen de plinten op. Ze liegen! Over een jaar of wat, als deze groep dood is, kan het graaien beginnen. Dan roepen ze: ‘We hebben een onverwachte meevaller!’ en wat doen wij? Niets! We knikken en zeggen ja en amen. Zou er iets in het drinkwater zitten? Waardoor we murw geslagen worden? Anders kan ik het niet verklaren. Jij?’

De man, Dirk genaamd, zat onderuit gezakt op de stoel bij het raam. Hij had zijn armen over elkaar geslagen en met zijn kin op z’n borst tuurde hij de Voorstraat af. Het was een regenachtig avondje maar in de Weinstube was het droog en warm. En de borrel smaakte uitstekend.

‘Nee’, mompelde Dirk afwezig. ‘Ik kan het niet verklaren.’
‘En het volk pikt het maar. De ene leugen na de andere. De oudjes – zoals ze die behandelen is ongekend. Het is een gotspe, het is…’
‘Wat is het?’ vroeg Dirk. Hij leek opeens wakker.
‘Een gotspe man, een gotspe.’
‘Wat is dat?’ wou Dirk weten.
De andere man zuchtte. ‘Een grof schandaal, de overtreffende trap daarvan.’
‘O ja’, knikte Dirk en zakte terug in zijn stoel. ‘Ik begrijp het.’
‘Hè, je brengt me helemaal van mijn à propos. Waar was ik? O ja, bij de oudjes. Zoals ze die hier behandelen. Het is een got… Een schandaal. Een grof schandaal. En maar miljoenen doorsluizen naar het buitenland. Naar landen waarvan we nog nooit gehoord hebben. Brussel loert likkebaardend naar onze pensioenpotten, let maar op. God, wat zal er gegraaid worden binnenkort. En wat doen wij? Niets. Helemaal niets. Als makke schappen laten we ons leiden naar de slachtbank. Ik begrijp het niet. Wat is er aan de hand hier? Dirk? Dirk? Slaap je man?’

Dirk schrok wakker. Toen nam hij een slok van zijn bier en wachtte even alvorens hij antwoord gaf. Uiteindelijk sprak hij, goed articulerend en tergend langzaam:
‘Het is een gotspe.’ Hij knikte er wijs bij. ‘Het is triest en treurig. Het is een gotspe. Een ander woord kan ik hier niet voor bedenken.’