Ze hield haar adem in en staarde naar de foto. ‘Dit kan niet’, dacht ze. ‘Dit kán verdomme niet.’ Ergens in haar hoofd begon een alarmbelletje te rinkelen maar ze negeerde het. ‘Wat is hier aan de hand?’, vroeg ze zich af. ‘Hoe is dit mogelijk?’

Ze bleef kijken naar de foto in de hoop een afwijking te zien, iets waardoor ze opgelucht zou denken: ‘ik heb me vergist’, maar nee: alles klopte. De volle haardos. De doordringende blik. HIJ was het. Maar het kon niet.

Eindelijk was ze er aan begonnen: de zolder uitmesten. Ze woonde nu al 2 jaar in dit huis en al die tijd stonden er nog een paar dozen op zolder, restanten van de vorige bewoonster. De stokoude dame die vóór haar het huis bewoonde was op een raadselachtige manier om het leven gekomen. Het weerhield haar er niet van het huis te kopen.

Toen hij haar het huis liet zien – hij was makelaar – was ze direct verliefd. Op hem en het huis. Op de volle haardos. De doordringende blik. Zijn humor.

Haar hart bonkte in haar keel terwijl ze de vergeelde foto nog eens goed bekeek. Ze keek naar de mooie haren waar ze zo van hield. De intense blik waar ze in het begin zo zenuwachtig van werd. HIJ was het. Maar het kon niet. Ze draaide met trillende handen koortsachtig de foto om. Even liet ze op zich inwerken wat ze daar las. In een flits zag ze het voor zich, al die vreselijke beelden die ze kende van de televisie. Opeens begreep ze waarom hij soms zo geheimzinnig glimlachte. Enkele seconden later rende ze gillend het huis uit.

Joseph Djugashvili – April 1902′, stond er op de achterkant.