Je kon het warm noemen, maar de meeste inwoners van het stadje noemden het gewoon heet die zomer. ‘Wat is het heet,’ klaagde de een na de ander en ja: met temperaturen die tegen de 40 graden liepen en daar soms zelfs overheen kwamen zou je het rustig heet kunnen noemen.
Het was zo heet dat het stil op straat was. De mensen werden lusteloos en lamlendig van de hitte. Scholen stuurden kinderen eerder naar huis. Airco’s loeiden dag en nacht en de energiebedrijven lachten zich kapot. Het was te heet om ook maar iéts te kunnen doen.

Het was op zo een middag, dat de heer en mevrouw Cooperson samen naar de bank liepen. Mevrouw Cooperson probeerde aanvankelijk nog wel stevig de pas erin te houden maar na een minuut of 10 gaf ze het op. ‘Het is zo heet,’ klaagde ze.
Haar man gaf geen antwoord en sjokte voort. Aan zijn afhangende schouders te zien had ook hij het zwaar. ‘Oscar,’ snerpte ze, ‘wil je alsjeblieft even je schouders rechten? Probeer in Hemelsnaam als een MAN te lopen, dit is geen gezicht.’
Oscar zuchtte en gaf geen antwoord. Hij had allang geleerd te zwijgen.

Eenmaal gearriveerd bij de bank slaakte ze een zucht van verlichting. ‘Ik hoop dat daarbinnen de airco flink hoog staat. Ik kan wel wat koelte gebruiken!’ Opgewekt duwde ze de massieve deur open.
Er waren geen klanten – op dit uur van de dag en met deze hitte was dat eigenlijk onmogelijk – en mevrouw Cooperson glimlachte charmant naar de bankbediende die haar vanachter de balie vriendelijk aankeek.
‘Goedemiddag,’ groette ze terwijl ze haar man wenkte. ‘Oscar, kom er eens bij wil je?’ Het klonk alsof ze een mitrailleur op hem leeg vuurde. Oscar, nog altijd met afhangende schouders, zuchtte wederom en vervoegde zich braaf bij zijn vrouw.
Op het moment dat ze haar mond wou openen om aan de vriendelijk glimlachende bankbediende te vertellen wat ze kwamen doen, werd de voordeur woest opengegooid en verstoord keek ze op.
Een gemaskerde man stormde naar binnen en hij zwaaide nerveus met een pistool.
‘Dit is een overval!’ brulde hij maar voordat hij hier nog iets aan toe kon voegen viel het masker van zijn gezicht. De bankbediende wist, evenals de Coopersons, niet hoe hij moest kijken.

Gehaast zette de overvaller het masker weer op. ‘Heb je mijn gezicht gezien?’ snauwde hij tegen de bankbediende. De arme man zat lijkbleek en trillend op zijn stoel en kon niets anders dan een zacht fluisterend ‘ja’ uitbrengen.
Zonder enige vorm van pardon, zonder een greintje mededogen haalde de overvaller de trekker over en bam: de bankbediende zakte als een zak aardappelen op de grond.

‘En jij?’ beet de overvaller mevrouw Cooperson toe. ‘Heb jij mijn gezicht gezien?’
Mevrouw Cooperson schudde ferm doch beslist haar hoofd. ‘Nee. Ik heb uw gezicht niet gezien. Maar,’ en hierbij greep ze de tegenstribbelende Oscar stevig bij zijn arm: ‘maar om u de waarheid te zeggen: mijn man heeft uw gezicht wél gezien.’

———–

(Bovenstaand verhaal is gebaseerd op een mop die ik ooit hoorde).