‘Ik weet niet hoe het heeft kunnen gebeuren’, zei de vrouw hardop. ‘Ik snap het achteraf niet’. Ze zuchtte en keek met een lege blik naar buiten. De boerderij aan de overkant lag er eenzaam en verlaten bij maar op de daarnaast gelegen weilanden liepen de koeien nog altijd in het rond. ‘Binnenkort gaan ze weer op stal’, dacht ze. ‘Dan komt die koude en donkere winter er weer aan en dan’…

Onwillekeurig huiverde de vrouw en ze trok haar vest wat steviger om zich heen. Ze maakte haar blik los van de weilanden en de koeien en richtte die op het kleine tafeltje dat naast haar stoel stond. Gedachteloos verschoof ze haar kopje thee. Het was een compleet nutteloze beweging. ‘Waarom doe ik dat?’ vroeg ze zich af. Ze schoof het kopje terug en beet op haar onderlip. Duizenden gedachten schoten door haar hoofd. Honderdduizenden. Miljoenen.

‘Het hoe en waarom is niet belangrijk’, was een van de dingen die ze dacht. ‘Waarom beseffen we dat pas op cruciale momenten? Waarom beseffen we niet dat er veel belangrijkere dingen in het leven zijn?’

De vrouw schudde onbewust haar hoofd. De poes sprong op schoot – ze had het nauwelijks in de gaten. Ze glimlachte verdrietig. ‘Waarom zeggen we soms teveel zinloze dingen en te weinig wezenlijke dingen?’ dacht ze. ‘Dingen die er écht toe doen? Ja’, knikte ze tegen het vogeltje achter het glas dat nieuwsgierig naar binnen gluurde, ‘geniet jij maar van je wurmpjes en je besjes. Dat is een stuk gemakkelijker.’

Een paar uur later zat ze nog op dezelfde plek. Buiten begon het zachtjes te schemeren. De koeien zag ze niet meer en ook het vogeltje was naar bed. Een spinnetje bouwde aan de buitenkant van het raam aan een web. Ze bleef er lang naar kijken. Haar blik dwaalde af naar de bruine bank bij de open haard. De bank waar ze samen op hadden gezeten, hand in hand, samen lachend en samen huilend. Ze herinnerde zich het moment als de dag van gisteren. Het was een écht moment. Een goed moment. Opeens werd ze overvallen door een ongekende melancholie. En verdriet. Ze begon te huilen. Stille tranen drupten een voor een naar beneden, op de poes die nog steeds op haar schoot lag, op haar handen, op haar vest en op haar rok en toen de schemering overging in een aardedonkere avond dacht ze: ‘Zo had het niet gemoeten. Zo had het nooit mogen gaan. Niet na alles wat we hebben gedeeld’.

Ze zat nog een tijd in het duister te snikken, de vrouw. Uiteindelijk zette ze de poes op de grond, pakte haar inmiddels koud geworden thee en zuchtte. Het was een lange, diepe zucht.