‘Ik ben zo blij dat we geen ruzie meer maken’, zei hij. ‘Echt. Daar ben ik zo blij om. Het klinkt misschien niet zo aardig’, ging hij door terwijl hij zonder opkijken koffie inschonk, ‘maar ik was blij toen het afgelopen was weet je dat. Echt. Ik was opgelucht. Het begon me hoe langer hoe meer dwars te zitten dat, als ik naar huis ging, ik dacht: ik weet niet in wat voor stemming ik haar vandaag aantref. Ik weet niet hoe het humeur is. Ik hoop dat ze in een beetje goed humeur is want ik heb geen zin in wéér dat moeilijke gedoe om niks. Weet je dat ik constant naar je gezicht keek om te peilen hoe de sfeer was? Hoe de zaken ervoor stonden?’

Voorzichtig zette hij de koffie neer en deed een greep naar de suikerklontjes. ‘Zo’, humde hij. ‘Een klontje suiker en een wolkje melk – precies zoals je het lekker vindt’.

Even leek het alsof ze wilde protesteren – het leek  althans alsof ze een zacht, vreemd geluid maakte maar dat kon ook verbeelding zijn geweest. Hij besteedde er in elk geval geen aandacht aan. IJverig  ging hij door met de koffie terwijl hij vervolgde: ‘Wat kon je toch vitten op me.  Ik deed niks goed meer in jouw ogen. Niks, helemaal niks. Ik voelde me steeds kleiner worden. Steeds onbeduidender. Toen ik je leerde kennen was je een vrolijke, blije meid maar gaandeweg…’ Hij rilde en keek strak.

‘En kijk ons nu hier zitten’ lachte hij opeens. ‘Als oude vrienden. No hard feelings over wat er gebeurd is. Het is verleden tijd. Ik vond het op het eind met jou niet meer leuk en de laatste dagen waren absoluut een hel maar toen het eenmaal voorbij was, was het direct goed. De spanning viel meteen weg hè? Voelde jij dat ook zo? Dat de spanning weg viel? Dat de lucht meteen opklaarde en alle boosheid van de afgelopen maanden – wat zeg ik: járen – als sneeuw voor de zon verdween?’

Een lok haar waaide over haar gezicht en hij veegde hem weg. ‘Te bedenken dat ik soms uren in de auto op de parking bleef zitten omdat ik niet naar huis wilde! En jij maar denken dat er een ander was! Was die er maar, dat had misschien nog wat afleiding gegeven! Toe, drink je koffie op, hij wordt koud’.

Langzaam zakte haar hoofd voorover en weer viel een lok haar over haar gezicht. Liefdevol veegde hij ook deze lok weg. Haar hoofd lag nu in een vreemde knik op haar borst en haar mond zakte open. Even probeerde hij het hoofd recht te zetten en de mond te sluiten maar al vlug besloot hij het erbij te laten en pakte haar hand.
‘Geeft niets, als je geen zin hebt in koffie. We kunnen ook wat anders drinken. Champagne misschien, wat denk je? Om te vieren dat het voorbij is? Om te vieren dat we af zijn van die eeuwige spanning? Ik ben zo blij dat we geen ruzie meer maken weet je dat. Echt. Daar ben ik zo blij om. Ik denk, werkelijk waar, dat je niet half beseft hoe blij ik daarom ben’.