Toen ze die avond in haar slaapkamer kwam en haar nachtkastje bekeek wist ze genoeg. Haar Labello lag in het laatje en ook de handcrème was opgeborgen. ‘Er heeft iemand hier geslapen,’ siste ze en keek haar hem beschuldigend aan. ‘Doe me een plezier en ontken het niet: toen ik het afgelopen weekend bij mijn ouders was heb je een andere vrouw in huis gehad.’

Hij ontkende eerst: ‘nee, dat is niet waar, absoluut niet,’ maar na een paar minuten gaf hij toe. ‘Ja, het klopt. Maar er is niets gebeurd,’ voegde hij er direct aan toe. ‘Helemaal niets.’
Hij keek haar open en eerlijk aan en echt: ze zou hem ZO kunnen geloven maar het punt was: ze WILDE hem niet geloven.
Haar redenering was vrij simpel. ‘Als er deze keer niets gebeurd is, gebeurt het een volgende keer wel’, antwoordde ze. Ze wist wat haar te doen stond.

Ze besloot geen scene te maken. Op de een of andere manier had ze daar geen zin in. In plaats daarvan ging ze, zonder hem in te lichten, naarstig op zoek naar eigen woonruimte. Het zou moeilijk worden wist ze – de woningnood in Amsterdam was groot – maar wonder boven wonder vond ze binnen twee weken via vrienden een gemeubileerde zolder ergens in de buurt van de Albert Cuyp.

Ze was opgelucht dat ze iets voor zichzelf gevonden had. En gelukkig. Toen ze naar huis ging, met de sleutel van de zolder in haar handtas, vertelde ze hem direct het nieuws.

‘Ik wil met je praten’, zei ze en stak een sigaret op. Met een moeilijk gezicht ging hij bij haar zitten. Je hóórde hem denken: ‘als ze nou maar niet begint over dat akkefietje van laatst.’
Maar nee. Daar begon ze niet over. Toen ze haar mond opendeed en hij haar woorden tot zich door liet dringen dacht hij dat ze een grapje maakte. Ze bleek bloedserieus te zijn.
‘Ik weet niet hoe ik het moet vertellen maar ik heb geen zin er langer omheen te draaien. Ik heb al een maand of 2 een verhouding met iemand anders en morgen trek ik bij hem in.’
Ze blies de rook uit en keek hem rustig glimlachend aan. ‘Ik wil je geen verdriet doen. Echt niet. Maar dit… dit is sterker. Hier kan ik niet omheen.’
‘Waarom heb je het niet eerder gezegd?’, vroeg hij verbouwereerd. Hij vond het een vreemd verhaal. ‘Waarom kom je er nu pas mee?’
‘Wil je het eerlijk weten?’ vroeg ze.
‘Ja’, knikte hij. ‘Ik wil het inderdaad eerlijk weten.’
Ze trok een moeilijk gezicht. Een gezicht dat zei: ‘ik leef met je mee.’ Een gezicht dat zei: ‘ik weet dat de pil buitengewoon bitter is maar ik zal m’n best doen om hem te vergulden.’
Zachtjes, alsof ze echt begaan was met zijn eventuele verdriet, sprak ze: ‘tja. Als ik héél eerlijk ben zit het een beetje zo in elkaar: ik huldig het principe van geen oude schoenen weggooien voordat je nieuwe hebt.’
Ze drukte haar sigaret uit en hield zijn gezicht scherp in de gaten. Hij verbleekte. En hij was verbijsterd.

Maar toen ze de volgende ochtend definitief vertrok en hem in de deuropening achterliet was hij verdrietig.
Bij de lift draaide ze zich om en zei: ‘niet verdrietig zijn. Waarom bel je dat meisje van laatst niet?’
Hij lachte schamper. Toen ze dat ene weekend weg was, ja – toen vond hij dat meisje wel leuk.
Toen. Jezus, hij had een halve fles whisky op en het kind zag er niet onaardig uit. Kon je het hem kwalijk nemen? Op dit moment, hier in die deuropening, wist hij dat hij het meisje van laatst niet wou. In de verste verte niet. Hij wilde maar één meisje. Maar dat was nu te laat.