Daar liepen ze dan, buiten, op weg naar het park. Hij achter de kinderwagen en achter zich aan huppelend z’n dochtertje van een jaar of drie. Het jongetje dat in de wagen lag zette het op een huilen en hij vloekte. ‘Kop dicht’ brulde hij en besmuikt keek hij om zich heen.
Hadden ze hem allemaal wel goed in de smiezen? Hadden ze wel in de gaten dat hij geen….… O God, bij de gedachte alleen al kromp hij in elkaar.

Zijn dochtertje kwam vrolijk naast hem staan. ‘Jantje moest een beetje huilen hé pap?’ brabbelde ze en ze wilde de hand van haar vader pakken. Vader sloeg de hand woedend weg.
‘Sodemieter op zeg. Dat doen we niet hier!’
Kleine Elsa keek beteuterd naar haar papa. Wat had hij toch de laatste tijd? Thuis was hij altijd vrolijk en lief maar op straat deed hij raar. Dat was al een paar dagen zo en ze begreep er niets van.

‘Mag ik ook zo’n ballonnetje pap?’ vroeg ze verlangend en wees naar de ballonnenverkoper die bij de ingang van het park stond. De man stond vlak bij de hotdogtent en het water liep hem in de mond. Hmmm, een hotdog… daar had hij wel zin in’. Met spijt dacht hij aan de vorige week toen hij, samen met zijn kleine Elsa, daar op dat bankje heerlijk in het zonnetje van de hotdog zat te genieten.

‘Gaan we straks een hotdog eten pap?’ vroeg de kleine meid en weer klonk dat verlangen door in haar stem.

‘Hou toch eens je grote brutale bek!’ brulde hij woest.
Weer keek hij schichtig om zich heen. Hadden ze hem allemaal goed gezien nu? Hij had het idee dat hij niet erg opviel. Om zich heen zag hij andere mannen, vaders, met kleine kinderen en allemaal bulderden ze.

‘Ik ram je in elkaar eikel!’ hoorde hij een andere vader naar zijn zoontje brullen met woedende, overslaande stem.
‘Wie denk je wel niet dat je bent, jij zwakzinnige rioolrat?’ brulde weer een ander tegen zijn dochtertje.
Hij voelde zich even opgelucht. Hij was gelukkig niet de enige. Niet de enige vader bij wie de schande anders zo duidelijk zichtbaar zou zijn. Hij was niet de enige vader die anders door het leven zou strompelen als ‘de man met de kleine balletjes.’

God, toen de uitslag van het onderzoek breed uitgemeten op de voorpagina van de krant stond voelde hij het bloed uit zijn gezicht trekken. ‘Man met grote ballen zorgt slecht voor zijn kinderen’ stond er. ‘Een goede vader had dus kleine ballen’, was zijn conclusie. Hij holde naar de badkamer om de omtrek van zijn ballen op te meten maar wist eigenlijk niet wat precies het gemiddelde zou moeten zijn. Had hij grote of kleine ballen? Het was hem opgevallen dat er geen enkele kritische vraag gesteld werd ten aanzien van het onderzoek. Hoe ging dat dan in z’n werk, dat onderzoek? Lag er een juffrouw op de knieën die de omtrek mat?

Bovendien: wat zijn grote ballen? Moeten ze halverwege de dijen hangen? Aan welke eisen moest je voldoen om in de categorie ‘Grote Ballen’ te vallen? Hoeveel mannen hadden aan dit onderzoek meegedaan? Hij wist het allemaal niet. Hij wist wel dat hij weigerde als half gecastreerde aap met kleine balletjes door het leven te moeten. Dan liever een slechte vader.
‘Bek dicht pummel!’ gilde hij weer en woest greep hij de hand van kleine Elsa. ‘Bek dicht of anders sla ik ‘m dicht!’
Kleine Elsa zei niets. Ze was blij toen ze hun huis in de verte zag. Straks, als ze binnen waren, dan zou papa weer gewoon doen. En grapjes maken en lachen. Nu kon hij het even niet.