Ze hield zoveel van hem. Zo verschrikkelijk veel. Hoe kon ze niet van hem houden? Ze had hem zelf gemaakt. Zijn handjes, voetjes, vingertjes, beentjes en teentjes: het voelde alsof ze elk stukje van hem zelf geborduurd had. Met oneindig veel liefde in elkaar geknutseld had.

Toen hij nog haar kleine jongen was telde ze regelmatig de sproetjes op zijn ruggetje. Hij vond het heerlijk. Dan ging hij er echt voor zitten, beertje in de armen, duimpje in de mond. En maar sproetjes tellen. God, wat hield ze van hem. Wat genoot ze van die momenten.

Toen hij een keer –  voor de deur van hun huis – een akelige smak met zijn fietsje maakte en heel even bewusteloos was droeg ze hem naar binnen. Later zou ze daarover zeggen: ‘Ik weet werkelijk niet wat er op dat moment door me heenging – het was absoluut met geen pen te beschrijven’. Toen hij ooit in het ziekenhuis belandde en aan het infuus moest, zat ze dag en nacht aan zijn bedje. Hij was slap en lusteloos. Op de derde dag nam ze een klein parkietje in een kooitje mee. Het beestje was aan komen vliegen en ze dacht dat het hem wel op zou vrolijken. Het werkte. De blik in die oogjes: ze zou het nooit vergeten. Opeens leefde hij op. Het was een van de mooiste momenten uit haar leven.

Ze hield zo verschrikkelijk veel van hem. God, wat hield ze van hem. Zelfs toen ze dacht dat ze niet nog méér van hem kon houden, bleef haar liefde voor hem groeien. Haar liefde voor hem was als eeuwenoude eik. Het leek alsof ze al een leven lang van hem gehouden had, zelfs lang voordat hij geboren was. Zelfs lang voordat ZIJ geboren was, was deze liefde er al. Ze kon zich niet voorstellen dat ze ooit niét van hem gehouden had. Dat hij er ooit niét was geweest.

Nee, ze kon zich niet voorstellen dat hij er ooit niet geweest was of ooit niet meer zou zijn. Dat ze niet meer die lieve glimlach zou zien. Die rustige, warme stem niet meer zou horen. De sproetjes telde ze inmiddels allang niet meer maar hij was en bleef haar jongen.

Ze bleef achter met miljoenen herinneringen en een hart vol liefde. ‘Mijn jongen’ dacht ze enkele tientallen malen per dag. ‘Mijn jongen’. Ze brandde vaak een kaarsje bij de foto die op de piano stond. Het was een prachtfoto. Hij keek haar aan met die mooie ogen, die ogen waar ze zo van hield, en hij glimlachte een vaag glimlachje. Ze glimlachte dan een treurig glimlachje terug en zei zachtjes tegen hem: ‘Wat ben ik dankbaar dat ik zolang van je mocht houden’. Wat er wérkelijk door haar heen ging op die momenten… Nee, dat was absoluut met geen pen te beschrijven.

———–

Voor mijn moeder.