‘Geachte burgemeester van Harlingen,
Eerder deze avond wou ik met de hond een blokje om. ‘Kom Fido,’ zei ik en ik pakte de hondenriem. ‘Kom, we gaan een eindje wandelen.’ Ik was van plan een flinke wandeling te maken om dan te eindigen in De Lichtboei waar ik nog een stevige borrel zou nemen. U kent dat soort momenten wel neem ik aan. Enfin, ik riep naar mijn vrouw – Afke heet ze: ‘Afke! Ik ben even weg met de hond!’

Weet u wat ze krijste? (en ik meen het, het was krijsen dat ze deed). Ze brulde: ‘neeeeee, je kunt nog niet weg!’
U begrijpt: ik rende naar boven om te kijken wat er aan de hand was. Afke lag in bad en keek me met grote ogen aan. ‘Je mag nog niet weg,’ zei ze weer en ik wist direct wat haar bedoeling was. Serieus, opeens voelde ik me weer die jongen die ik ooit was, een jaar of 20 geleden.

‘Dat klinkt me als muziek in de oren’, grijnsde ik terwijl ik mijn overhemd losknoopte. ‘Zal ik eerst even wat champagne halen?’
’De blik van ontzetting op Afkes gezicht zal me nog lang bijblijven burgemeester. Heel lang. Want het feestje dat ik in gedachten had was helemaal niet Afkes bedoeling. Integendeel. ‘Maar waarom mag ik dán niet weg?’ vroeg ik onthutst.

Ze zei – en nou komt het: ‘omdat ik anders alleen thuis ben en in bad voel ik me zo kwetsbaar met alle inbraken tegenwoordig.’
Mijn vrouw durfde – in haar eigen huis – niet alleen in bad te liggen. Omdat ze zich anders zo ‘kwetsbaar’ voelt. Ik wachtte tot ze uit bad was, ging vervolgens mijn wandeling maken – een stuk korter dan ik eigenlijk gepland had – en dook zo snel mogelijk De Lichtboei in. Daar kwam ik Jan-Willem en Peter tegen en ik vertelde hen wat me overkomen was met Afke.
‘Klopt’, zei Willem. ‘Dat had ik met die van mij laatst ook. Die wou ook niet alleen in bad’, en Peter beaamde het. ‘Onze vrouwen worden steeds banger’, zei hij. ‘En zeker nu het zo vroeg donker is en Harlingen het waanzinnig goed doet bij het inbrekersgilde durven ze nauwelijks nog alleen in hun eigen huis te zijn.’

Ik weet niet wat ik hiervan moet denken weet u dat? Ik weet het werkelijk niet. We wonen in zo een mooi – wat heet: prachtig – stadje, en dat onze vrouwen niet alleen thuis in bad durven te liggen vind ik geen goede zaak.

Daarom deze brief: is het mogelijk, denkt u, om ervoor te zorgen dat we weer net als vroeger de achterdeur open kunnen laten? Het zou zo fijn zijn ziet u, als een dergelijke deceptie zoals ik die eerder op de avond mee mocht maken, mij in de toekomst bespaard mag blijven en…‘

Hier stokte Hendrik-Jan Doordouwer en hij staarde voor zich uit. Het was stil in het huisje – Afke lag al in bed toen hij thuiskwam – en eigenlijk had Hendrik-Jan ook wel zin om te gaan slapen. Hij rekte zich uit en wreef over zijn buik.
In de mand lag Fido te snurken en Hendrik-Jan wendde zich, overmand door een gevoel van dankbaarheid, naar de hond. ‘Pas maar goed op ons huis vannacht ouwe reus,’ mompelde hij terwijl hij de laptop dichtklapte en opstond van tafel.
‘Pas de komende maanden maar heel goed op. We zullen het hard nodig hebben.’
Hendrik-Jan Doordouwer knipte de lichten uit en terwijl Fido achter hem aan de trap op sloop slaakte hij een diepe zucht. De wereld zat krankzinnig in elkaar.

————–

Hendrik-Jan Doordouwer verschijnt om de week in de Harlinger Courant. Hij moppert heel wat af maar gelukkig is daar Afke die hem altijd wel weer uit de put weet te trekken. Hoewel…..