‘Ik erger me’, zei de man. ‘Ik moet daar echt iets aan doen. Ik erger me gewoon veel te veel en dat is niet goed.’
‘Dat merk ik’, zei de vrouw. ‘Dat is niet goed nee. Daar moet je echt iets aan doen. Waarom zou je je ergeren? We wonen in een geweldig stadje, we hebben allemaal leuke festiviteiten voor de boeg, we hebben een huis met een tuintje en komen niets tekort.’

‘Dat is wel zo’, zei de man, ‘maar toch knaagt er iets aan me. Ik vind het bijvoorbeeld ergerlijk dat we zo belazerd zijn door de komst van de euro. Hemel op aarde werd ons beloofd maar wat is de praktijk? Doffe ellende. Ik vind het ergerlijk dat we miljarden schenken aan andere landen. Ik vind het ergerlijk dat onze stem niet telt, dat hebben we bij het laatste referendum wel gezien.’

De vrouw nam een slokje van haar rosé en knikte afwezig. ‘Ik erger me aan het feit dat we bij rood staan zoveel procent rente moeten betalen maar op ons spaargeld krijgen we nauwelijks rente’, ging de man door. ‘Ik erger me aan de graaimentaliteit van de bankiers en Overheid. Francien van het werk, weet je wel, die collega waar ik je wel eens over vertelde? Ze heeft van haar vader laatst een flink bedrag geërfd. Dat is trouwens ook zoiets. Er zijn mensen die serieus ‘georven’ zeggen maar goed, dat terzijde. Francien kreeg een leuk bedragje van haar vader en raad eens? Ze mocht een groot deel direct aan Vadertje Staat afdragen. Daar erger ik me aan. Aan deze vorm van diefstal. Ik erger me aan de manier waarop ze met oude mensen omgaan. Ik erger me aan al die liegende politici. Waar is de integriteit gebleven? Weg, foetsie. Ik erger me aan…’

‘Je bent erg vervelend vandaag’, zei de vrouw. Ze gooide haar hoofd naar achteren en genoot van het avondzonnetje. De serveersters liepen af en aan bij strandpaviljoen Het Zilt en de vrouw bestelde nog een glaasje rosé. Op het strand was een klein jongetje met zijn vlieger bezig. Het ding klom alsmaar hoger in de lucht en het kind straalde. ‘Kijk pap!’ gilde hij naar zijn vader maar zijn woorden gingen verloren in de wind.

Een oranje gloed begon zich langzaam te verspreiden. ‘De zon gaat zo onder’, merkte de vrouw op.
De man knikte en keek naar de zee die zich voor hen uitstrekte.
‘Mooi hè’, fluisterde de vrouw. ‘Die ondergaande zon is zo prachtig. Ik kan hier echt van genieten. Dit is waar het om gaat in het leven. Dit zijn de belangrijke, mooie momenten. Niet die achterlijke ergernissen van jou.’ Ze glimlachte en deed een greep naar de hand van de man.
‘Mensen in de randstad hebben dit niet’, beaamde de man.
‘Ja, maar hun hebben weer andere leuke dingen’, lachte de vrouw.
‘Hun hebben’, begon de man grommend. ‘Dat is ook zoiets. Daar erger ik me ook aan, dat zoveel mensen ‘hun hebben’ zeggen.’
Toen hij het niet-begrijpende gezicht van de vrouw zag glimlachte hij. ‘Laat maar’, mompelde hij. ‘Let maar niet op me. Je hebt gelijk. Dit is veel belangrijker.’ Hij kneep in haar hand.
‘Gek’, zei hij. Opeens voel ik me een stuk kalmer.’ Hij sloeg een arm om de vrouw heen en zuchtte diep. Het klonk als een tevreden zucht.