Ze pakte de telefoon wel 100 maal per dag op om hem dan weer gauw neer te leggen. Wel 100x per dag voerde ze in gedachten hetzelfde gesprek:
‘Dag!’, zou ze lacherig zeggen. Het zou normaal klinken, klinken alsof er niets gebeurd was. De ander zou zeggen: ‘Hallo.’
Misschien zou het wat afwachtend klinken.

Dan zou ze opgewekt zeggen: ‘Nou, hoe is ‘t?’ Ze zou het vlotjes zeggen.
‘Goed hoor’, zou de ander zeggen. Die zou nog steeds wat afwachtend, wat koel klinken. Maar ze zou niet opgeven. Ze zou, met die lach in de stem, gewoon doorpraten. Doen alsof haar neus bloedde. ‘Mooi’, zou ze zeggen. ‘Nou, hier gaat het ook allemaal lekker.’
Ze zou vertellen over de kinderen, de kleinkinderen. Ze zou zich nog wat op de vlakte houden – niet direct al te hoog van de toren blazen zoals eigenlijk haar gewoonte was. Beetje bij beetje zou de ander ontdooien. Zou ze in de stem van de ander óók die lach horen. Die vertrouwde klank, die ze al haar hele leven kende.

Ze zouden twee, drie uur aan de telefoon zitten. Gieren om wat er gebeurd was. Ze zou zeggen: ‘Ja, stom van me hè, dat ik me zo liet meeslepen? Dat ik me zo opwond over dat onnozele grapje? Ik begrijp zelf ook niet wat me mankeerde.’
De ander zou zeggen: ‘Ja, je deed wel wat vreemd.’

Ze zou zeggen: ‘Ik weet het. Ik begrijp het zelf ook niet. Ik liet me gewoon enorm gaan en dat was stom, dat bedoelde ik niet zo.’
‘De ander zou zeggen: ‘En het heeft je werkelijk 5 jaar gekost om dat te bedenken?’
Ze zou schuldbewust naar beneden kijken. Zuchten. Zich afvragen waarom ze er in hemelsnaam zolang over gedaan had om tot inzicht te komen. Nee, dat was niet waar: het inzicht was er vanaf dag één. Toegeven – het toegeven, dat ze fout zat, dat vond ze vreselijk. Dat kon ze niet. Maar dát ze fout zat ach… dat wist ze vrijwel direct.

Ze zou zeggen: ‘Ja, raar hè? Achteraf vind ik dat ook zo erg. Maar op een gegeven moment… tja…’
De ander zou zeggen: ‘Nou, het is fraai met je.’ Het zou een beetje snibbig klinken maar ze zou die lach weer horen in die stem. Ze zou zich beetje bij beetje ontspannen, blij voelen, gelukkig voelen.
Ze zouden de draad oppakken waar ze vijf jaar geleden gebleven waren. Herinneringen ophalen. Voelen dat die liefde er nog steeds was. Aan het eind zou ze zeggen: ‘We bellen gauw weer hè?’ En de volgende ochtend zou ze direct weer bellen. Gewoon, om even dag te zeggen. Om te zeggen hoe blij ze was dat ze elkaar weer gevonden hadden. Om te zeggen dat ze er niet aan moest denken dat een van beiden dood zou gaan zonder dat ze het ooit uitgepraat hadden.

Ja, wel 100 x per dag pakte ze de telefoon op om hem dan weer gauw neer te leggen. En telkens als ze hem neerlegde, elke keer weer, dacht ze: ‘Ik kan het niet – ik schaam me zo.’