Zoete Smaak van Orgeade

Paramaribo, 1 juli 1963
Het was een prachtige dag, die dag waarop we dachten dat mijn oudtante krankzinnig werd. Op 1 juli 1963 vierden we het feit dat het precies honderd jaar geleden was dat de slavernij was afgeschaft. Keti Koti, wat zoveel betekent als ‘gebroken ketting’, heet deze dag, en zoals altijd vierden we deze dag met de hele familie.

Die middag zaten we in de heerlijke grote tuin van oma. Het was een uur of vier toen we compleet waren en in de schaduw van de kankantrie-bomen uit zaten te rusten van de lange, vermoeiende dag die we achter de rug hadden. We hadden de hele dag in de stad en in de Palmentuin geslenterd en overal was het een drukte van jewelste. Zoals altijd was het warm, maar vandaag leek het nog drukkender te zijn dan gewoonlijk en ik herinner me nog dat wij er allemaal last van hadden. In gedachten zie ik nog mijn moeder zitten, zichzelf koelte toewuivend met een rieten waaier terwijl de honden bijna bewusteloos naast haar op de grond lagen. Ook zij hadden last van de hitte. Vreemd, dat dit allemaal al weer zolang geleden is.

Links van mij zitten die middag mijn ooms Richard en Max te praten over het kaartspel dat ze de avond daarvoor gewonnen hadden. Dit tot zeer groot ongenoegen van mijn tante Bianca, die erg gelovig is en kaartspelletjes verfoeit, net zoals ze trouwens drinken ook verfoeit en met grote ogen van afgrijzen staart naar de fles whisky die Max voor zichzelf had meegenomen.

‘Dat doe ik altijd’, legde hij me ooit uit. ‘Zo kan ik de hele avond op mijn eigen kosten whisky drinken.’ Tante Bianca zat naast oom Max en naast haar zaten de vrouwen van mijn ooms. Tante Nicole keek glimlachend voor zich uit. Ze is de vrouw van oom Richard en een volbloed Indiaanse. Ze zou nooit meer terug willen naar het dorp waar ze vandaan kwam, vertelde ze wel eens, een lieve glimlach ten toon spreidend. Ze is erg ingetogen en rustig. Spreken doet ze nauwelijks – ze antwoordt altijd eenlettergrepig wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat er weinig aandacht aan haar wordt besteed. Soms kunnen we ons ook nauwelijks herinneren of ze wel of niet aanwezig was maar toch houden we allemaal van haar.

Ook oom Max heeft zijn vrouw bij zich en dat is een uitzondering, want iedereen weet dat het huwelijk eigenlijk al voorbij is. Ze verschijnen nooit meer samen ergens en dat dit vandaag wel het geval is, verwondert ons allemaal een beetje. Natuurlijk laten we dat niet merken. De vrouw van oom Max is een prachtige vrouw, Rosita, die een stralende filmsterrenlach heeft en ook filmsterrenallures, maar die allures van haar nemen we niet serieus. Daarnaast zit mijn moeder, een Portugese vrouw met mooi, dik roestbruin lang haar dat ze altijd opsteekt en ze is in een serieus gesprek verwikkeld met de tantes.

Mijn vader, een half Chinees, half Joodse man, loopt in de tuin rond en geeft speels een duwtje tegen de hangmat die tussen de twee grote kankantrie-bomen hangt en waar mijn broer Richard een dutje in doet. In een grote cirkel zitten mijn neven en nichten. De kinderen van oom Max zitten te praten met de kinderen van oom Richard en tante Bianca en de ene bulderende lach na de andere dreunt over het erf. Met een vaag gevoel van onbehagen zie ik dat Jeff, een van mijn neven, het hoogste woord heeft. Hij is mijn minst favoriete neef maar vraag me niet waarom. Het is nou eenmaal zo.

In het midden zitten mijn grootmoeder en haar zusje, mijn oudtante Esther. Mijn grootmoeder is een volbloed Joodse vrouw die aan het begin van de vorige eeuw de woede van haar familie – en zeker die van haar moeder – op haar hals haalde door met mijn grootvader te trouwen. Opa is al vijf jaar dood maar toch herinner ik me hem nog heel goed. Hij was een klein, Chinees mannetje dat ook het lef had om tegen zijn familie in te gaan door met een niet-Chinese vrouw te trouwen. Kennelijk was hun liefde sterker dan de banden die ze met hun families hadden en ze kozen voor elkaar. Ze kregen vijf kinderen. Vier daarvan zitten hier, de vijfde is mijn tante Josephine die in Canada woont en jammer genoeg dit gezellige samenzijn niet mee kan maken. Ik heb haar nog nooit ontmoet, maar wat ik uit de verhalen begrepen heb is zij een behoorlijk recalcitrante vrouw en dat spreekt me bijzonder aan. Ze trouwde toen ze 18 was met een Canadees die hier in het land was om bodemonderzoeken te verrichtten en is kort daarna met hem vertrokken. We krijgen allemaal op z’n tijd een ansichtkaart van haar en ik heb me voorgenomen dat ik later, als ik groter ben, haar beslist eens ga opzoeken. Oma en haar zus die volgens mij al bijna honderd moet zijn, zo ziet ze er tenminste wel uit, zitten met elkaar te smoezen en het hele gezelschap vermaakt zich uitstekend. De mannen lachen en drinken hun whisky’s met ijs, de vrouwen nemen de laatste nieuwtjes door en mijn vader, die erbij is komen zitten, rolt vergenoegd een nieuwe sigaret.

Iemand ploft neer op een stoel die naast me staat, me daarmee wakker schuddend uit mijn overpeinzingen.

‘Zo’, hoor ik Wendy, mijn twee jaar jongere nichtje, de jongste dochter van oom Max, ‘ik kom even naast je zitten, je zit hier zo zielig voor je uit te staren’.

‘Kind, ik ben aan het genieten’, verontschuldig ik me, ‘en dat doe ik in stilte.’ Wendy is leuk. Ze heeft een bos krullend zwart haar, een hese, soms schorre stem en een prettige lach.

‘Gezellig hé, zo de hele familie bij elkaar? Dat zouden we eigenlijk vaker moeten doen’ zegt ze terwijl ze stralend om zich heen keek.

‘Ja, leuk. Oma geniet er ook echt van geloof ik.’ Oma vertelde op dat moment een mop en iedereen hing ademloos aan haar lippen. Een luid gelach volgde maar ik had de hele mop gemist, dus glimlachte ik vaag.

‘Ja, oma geniet absoluut en tante Esther ook zie ik. Toch zouden we wat meer aandacht moeten besteden aan tante Esther, het is best wel zielig dat ze nooit iemand gevonden heeft’. Tante Esther heeft nooit haar droomprins gevonden maar ze is daar gelukkig niet verbitterd onder en ziet hem, zoals ze zelf vaak schertsend zegt, toch wel elke avond in haar fantasie. Het idee dat dit oude mensje ergens in haar hoofd misschien nog steeds een droom heeft van een man die de hare had moeten zijn vertedert me enorm. Als onze ogen zich kruisen knik ik haar eens hartelijk toe en besluit inderdaad in het vervolg wat meer aandacht aan haar te besteden.

Wendy laat zich nog wat orgeade* bijschenken door Marlène, die al sinds mensenheugenis bij oma werkt en praktisch lid van de familie geworden is. Toch zal Marlène op dit soort bijeenkomsten nooit bij ons komen zitten. Ze houdt zich altijd bescheiden op de achtergrond hoewel wij haar manen ook plaats te nemen in de kring.

‘Nee’, lacht ze dan haar tandeloze grijns, ‘nee, ik heb nog werk te doen in de keuken.’ Dan hobbelt Marlène weer plichtsgetrouw naar de keuken om af en toe even te komen controleren of we nog genoeg te eten en te drinken hebben.

Mijn vader en zijn broers zijn ondertussen bezig met het ophangen van de lampionnen. Mijn broer springt de hangmat uit en helpt ijverig mee. Straks zal het donker worden en de krekels kondigen al aan dat de nacht niet lang meer op zich zal laten wachten.

‘Ik ga even een paar guaves plukken’ kondig ik aan en Wendy staat op.

‘Ja, daar heb ik ook wel trek in.’ Samen lopen we  door de heerlijke grote tuin naar de guavebomen die achter op het erf staan. We lopen langs de oude put, waar vroeger nog water uit gehaald werd maar nu al jaren geen dienst meer doet. Toch gaat er heel wat om in die put, want ik heb wel eens ‘s avonds hele slierten ratten erin zien verdwijnen en dat was geen lekker gezicht, God nee.

We hebben de bomen bereikt en beginnen met plukken van guaves. Omdat iedereen wel trek heeft in een paar van die vruchten gooien we de emmer vol met rijpe, sappige guaves. Op het moment dat we onze eerste hap willen nemen horen we een ijzingwekkende gil die achter ons vandaan komt. Mijn nichtje en ik kijken elkaar geschrokken aan en hollen naar de kring. De hele familie staat over iemand heen gebogen en ik zie dat tante Esther op de grond ligt te stuiptrekken. Het schuim staat op haar lippen en haar ogen rollen op een ijzingwekkende manier heen en weer. Jeff, mijn minst favoriete neef kijkt verwilderd en lijkt door het dolle heen.

‘Wacht’, zegt hij, als iemand voorstelt om tante Esther naar binnen te dragen. Ze ligt nog steeds schuimbekkend in het zand te kronkelen.

‘Wacht, ik weet wel wat hier aan de hand is.’ Hij gaat op z’n hurken zitten en kijkt strak naar het gezicht van tante Esther. Dan pakt hij haar met z’n linkerhand stevig beet bij haar schouder en geeft haar met z’n rechterhand een paar onmenselijk harde klappen in het gezicht.

‘Soema na joe*’, schreeuwt hij, ‘soema na joe? Verdwijn uit dit lichaam, ik beveel, verdwijn uit dit lichaam.’

We kijken allemaal ontzet toe. Tante Bianca, gelovig als ze is, slaat aan een stuk door kruizen en begint fanatiek aan een Weesgegroetje. Mijn vader kijkt ongelovig toe en oma heeft haar handen voor haar gezicht geslagen, die kan dit niet aanzien. Tante Esther ligt daar nog steeds te schuimbekken en mijn neef Jeff gaat door, met de minuut hysterischer. Haar weer wat flinke oorvijgen verkopend, gilt hij opnieuw: ‘Soema na joe, soema na joe? Verdwijn uit dit lichaam.’ De boze geest, waarvan we denken dat die opeens bezit heeft genomen van het lichaam van tante Esther, verdwijnt niet. Haar lichaam is wel kalm nu, maar ze springt niet op om weer in haar stoel plaats te nemen en dat vinden we een veeg teken.

‘Rania’, fluistert mijn moeder die naast me staat, ‘loop jij even naar de overkant, ik denk dat dokter Tjon wel thuis is.’ Ik begrijp niet zo goed wat een dokter hiermee te maken heeft maar aangezien mijn moeder een verstandige vrouw is, doe ik wat ze zegt.

Dokter Tjon is thuis. Hijgend en hakkelend vertel ik hem de afschuwelijke gebeurtenis waarvan we allemaal getuige zijn geweest. Dokter Tjon hoort het kalm aan terwijl hij ondertussen zijn instrumententasje pakt. Samen lopen we weer het erf op. De lampionnen werpen een sinistere, vreemde gloed op mijn familie die daar nog altijd ontzet staat toe te kijken terwijl mijn neef, nog steeds met fors geweld, bezig is de boze geest te verjagen.

‘Ben je helemaal gek geworden?’ schreeuwt dokter Tjon als hij dit aanschouwt. Hij rukt mijn neef bij tante Esther weg die bijna levenloos op de grond ligt.

Dokter Tjon luistert naar haar hart, schijnt in haar ogen en staat vervolgens op.

‘Het is dieptreurig wat ik hier net gezien heb’, bast hij. ‘Ik heb er geen woorden voor, zo schandalig vind ik dit’.

Wijdbeens loopt hij naar de keuken en wordt nagestaard door twintig paar ogen. Daar vraagt hij iets aan Marlène, die vanuit de deuropening toe heeft staan kijken en Marlène knikt. Ze gaat naar binnen en komt even later weer terug, daarbij dokter Tjon, die met uitgestrekte hand staat te wachten, iets overhandigend. De arts knielt neer bij tante Esther en doet haar mond voorzichtig open. Hij legt wat onder haar tong en na een halve minuut lijkt het alsof tante Esther voorzichtig met haar ogen knippert.

Dokter Tjon kijkt op, ziet er nog altijd woest uit. ‘Het enige dat jullie moesten doen was haar een klontje suiker geven stelletje idioten’, schampert hij. ‘Hebben jullie dan werkelijk nog nooit van suikerziekte gehoord?’

De 1 juli-viering is daarna voor ons nooit meer hetzelfde geweest. Altijd als we bij elkaar in de grote tuin zaten, het begon te schemeren en de krekels aankondigden dat het wel eens heel snel donker zou kunnen worden, viel er een beklemmende stilte en hoewel we zeker wisten dat we allemaal aan hetzelfde dachten, hebben we er nooit meer over gesproken. Onze schaamte was te groot.

*soema na joe – wie ben je
*orgeade – amandellimonade

You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can skip to the end and leave a response. Pinging is currently not allowed.

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: