Rottende Manja’s

De stank in zijn neus was ondragelijk geworden maar als hij eens losjes om zich heen informeerde of anderen er ook zo’n last van hadden kwam hij telkens weer tot de conclusie dat hij de enige was. Toch rook hij hem overal: de allesoverheersende, weeïge, zoetige lucht van overrijpe en rottende mango’s. Deze laatste paar dagen was het weer veel erger geworden en zelfs in zijn slaap was hij zich bewust van deze lucht.

‘Ga eens een keer naar de dokter’ raadde zijn vrouw hem aan toen hij er losjes over begon.

‘Ga eens een keer naar de dokter’, zei ook zijn buitenvrouw toen hij zich er voorzichtig en neutraal over uitliet. Dit was hij natuurlijk niet van plan. Hij zag zich daar al zitten: ‘Dokter, ik ruik niks meer, alleen maar bedorven mango’s en dat irriteert me de laatste tijd een beetje. Hebt u misschien een pilletje zodat ik er over een minuut of wat weer vanaf ben?’ Het idee alleen al! Hij ging ervan uit dat het wel eens een keertje zou verdwijnen. Hij ging ervan uit dat hij, heel binnenkort, op een ochtend op zou staan en zou denken: ‘hé, ik ruik het niet meer.’ Tot die dag zou hij het wel uitzingen hoopte hij, hoewel hij soms bijna kokhalzend naar frisse lucht hapte, om alleen maar meer van de tot waanzin drijvende stank naar binnen te zuigen.

De eerste keer dat hij zich bewust was van die lucht was twee maanden geleden. Hij zat op het balkon van zijn buitenvrouw Josie nog bij te komen van de overdosis liefde waaronder ze hem even daarvoor bedolven had, toen die lucht langzaam, pijnlijk als twee stalen pennen, zijn neusgaten binnendrong.

‘Josie,’ riep hij en met een badhanddoek om haar glanzende lijf heen gewikkeld rende ze naar hem toe.

‘Ija goedoe*?’

‘Volgens mij ligt er binnen fruit te rotten, ik ruik iets vreselijk smerigs,’ zei hij, haar lichaam goedkeurend in zich opnemend. Josie holde naar de keuken om die te gaan inspecteren maar kwam kon niets bijzonders vinden. Dat was de eerste dag. Hij besloot er niet moeilijk over te doen en nog even van de paar uurtjes die hij met Josie samen had te genieten maar was zich wel de hele tijd bewust van deze nieuwe lucht die zich naar binnen drong.

Die nacht, nadat hij zich voor de tweede maal vol overgave gegeven had maar nu aan zijn vrouw, kon hij niet slapen. Als een speurhond liep hij snuffelend het hele huis door. Dit was abnormaal. Het leek alsof de lucht zich wentelde in al zijn hersencellen, daarbinnen een nestje creërend voor wat nog komen zou en het beviel hem totaal niet.

‘Kom naar bed schatje’ riep Sandra, zijn vrouw, ‘wat ben je allemaal aan het doen daar?’

‘Niks’, had hij geantwoord, terwijl hij zich in een onhandige positie op z’n buik bevond en onder de ijskast probeerde te kijken of daar misschien de oorzaak van deze stank te vinden was.

‘Ik kom zo’, riep hij een paar uur later toen hij de kussens van de bank losmaakte en die aan een grondig onderzoek onderwierp.

‘Laat me toch met rust’ snauwde hij nog een paar uur later toen hij de planken aan het lostornen was en hoopvol tussen de vloer met z’n zaklantaarn scheen. Hij had hij niets gevonden en toen hij uren later eindelijk naar bed ging bonkte zijn hart als een bezetene. Misschien, dacht hij hoopvol, misschien is het morgen gewoon verdwenen, als ik eerst maar een paar uurtjes slaap.

Bij het ontwaken de volgende ochtend werd hij het zich meteen bewust: de lucht was niet verdwenen. Nee, sterker nog, ze had zich honderden malen met zichzelf vermenigvuldigd en zat nu overal. De kleinste kamertjes van zijn hoofd waren gevuld met hetzelfde ongrijpbare compacte spul. Het ergste was dat hij op de een of andere manier wist dat dit nog maar het begin was. Het nestje was bijna af, het moest nu alleen nog maar gevuld worden. Toen hij ging douchen boende hij zichzelf zorgvuldig; stel je voor dat de omgeving kon ruiken wat er zich in zijn hoofd afspeelde. Hij had het gevoel dat hij op kilometers afstand te ruiken was. Dat dat niet zo was, bewees het normale gedrag van Sandra die een paar eieren voor hem bakte.

‘Je kwam laat naar bed gisternacht, wat was er met je?’

‘Helemaal niets’, had hij stuurs geantwoord. Hij propte zijn ontbijt naar binnen en ging de deur uit, innig omhelsd door zijn vrouw. Tot gisterochtend deze tijd had Jeffrey zichzelf altijd als een gelukkig man beschouwd en zijn vrienden gaven hem geen ongelijk. Jeffrey was een mooie, lange slanke creoolse man die in een paar jaar tijd succesvol zijn medische studie had afgerond. Nu mocht hij zich officieel arts noemen, kinderarts en zijn werk nam hij uiterst serieus.

Zijn huwelijk kon hij ook geslaagd noemen. Na zijn afstuderen trouwde hij meteen met Sandra waar hij sinds zijn vijftiende mee omging en spijt heeft hij er geen seconde van gehad. Zijn verhouding met Josie kon hij niet echt serieus noemen. Zijn relatie met Josie begon hij zes maanden na zijn huwelijk. Een beetje succesvol man hoort een buitenvrouw te hebben luidde het motto van zijn vrienden en de rest van de natie, dus koesterde hij zich al zes jaar in de warmte van de twee vrouwen. Gelukkig was Josie niet zo veeleisend en stelde ze zich tevreden met een paar gestolen uurtjes per week. Natuurlijk zorgde hij dat ze financieel niets te kort kwam, zoveel verantwoordelijkheidsgevoel had hij wel en zeker nadat hun kind geboren was maakte hij maandelijks een vast bedrag over naar haar rekening. Hij kon zich soms, als hij eens een overmoedige bui van eerlijkheid naar zichzelf toe had afvragen of het allemaal wel zo correct was wat hij deed, maar dan stelde hij zich weer gauw gerust met de gedachte dat al zijn vrienden zo’n leven leidden en het dan heus wel zou meevallen met de beladenheid ervan.

Nu hij eenmaal buiten was leek het alsof de stank, die hij wou ontvluchtten toen hij binnen was, zich met fors geweld perste in het nest waar ze de avond daarvoor aan begonnen was en hij balde zijn vuisten. Godsamme! Zou hij dit de hele dag blijven ruiken? Hoe kwam hij hier in Godsnaam vanaf? Zijn werk deed hij mechanisch die dag en dankte God dat het niet al te druk was. Hij vroeg zich bezorgd af of hij wel in staat zou zijn de komende dagen behoorlijk te functioneren. De zware, compacte bal in zijn hoofd had ondertussen zijn hersenen verdreven naar de allerkleinste hoekjes en gaatjes en die protesteerden heftig tegen deze nieuwe rangschikking. Hij voelde een stekende hoofdpijn opkomen en merkte dat hij zwaar begon te ademen. Hij vloekte maar weer eens binnensmonds en trok zijn witte jas uit.

Op weg naar huis besloot hij even langs Louis te gaan. Die had vast wel een ijskoud biertje in de ijskast staan en misschien kon dat hem een beetje op de been helpen.

‘Jongen, wat zie jij eruit!’ begroette deze hem toen hij het erf opliep, verwelkomd door het vrolijke geblaf van de honden. ‘Zware dag gehad zeker? Of weer teveel gezopen?’

Jeffrey haalde zijn schouders op. Had het werkelijk zin om dit te vertellen? Hij accepteerde het pilsje en liet zich in een van de schommelstoelen zakken.

‘Ik heb’, begon hij aarzelend, waarom zou hij het ook niet vertellen? Hij hoefde zich hier toch niet voor te schamen? ‘Ik heb sinds gisteravond iets raars.’ Zijn verhaald vertellend lette hij angstvallig op het gezicht van Louis. Als Louis zou gaan lachen, zou hij onmiddellijk ophouden en er zich met een grapje vanaf maken, nam hij zich voor. Hij had geen zin om afgeschilderd te worden als de gek van de stad. Louis lachte echter niet. Hij knikte enkele malen bedaard terwijl hij zijn pijp uitschudde en begon deze toen opnieuw te stoppen.

‘Vervelend jongen,’ knikte hij, ‘heel vervelend.’ Meer zei Louis niet en staarde peinzend voor zich uit. De bananenbomen op het erf droegen grote trossen die de bomen bijna deden bezwijken onder hun gewicht. ‘Vervelend,’ knikte hij nog een keer.

‘Is dat het enige wat je kunt zeggen’? vroeg Jeffrey schamper. ‘Als dit nog lang zo doorgaat, weet ik echt niet wat ik moet doen. Stel je voor dat ik dit de rest van mijn leven blijf ruiken, Mijn God zeg, het idee alleen al.’

‘Och jongen’, antwoordde Louis gemoedelijk, ‘het zal heus wel weer verdwijnen, denk je zelf niet? Dit soort dingen komen en gaan.’ Toen Jeffrey erachter kwam dat Louis ook geen soelaas bood, besloot hij nog even langs Josie te gaan. Misschien dat zij in staat was hem meer te ontspannen. Josie was een mooie Javaanse vrouw, die hij leerde kennen toen hij eens op Blauwgrond at. Ze werkte in het restaurant en hij was meteen verkocht. Zij ook, dus dat scheelde hem het veroveren. Dat was een bezigheid waar hij geen trek in had, bovendien vond hij: het is graag of niet. Josie, dankbaar dat iemand haar weghaalde van Blauwgrond, weg van het kleine restaurant van haar moeder waar zij in werkte, weg van de baklucht die ze altijd in haar haar had, ging vrijwel meteen akkoord met zijn voorwaarden. Nee, beloofde ze, zachtjes zijn rug masserend, ze zou nooit van hem eisen dat hij bij zijn vrouw weg moest om haar. Nee, beloofde ze, zijn vingertopjes sensueel aflikkend, ze zou zijn huwelijk niet, nooit, op geen enkele manier in gevaar brengen. Josie hield haar woord. Ze had haar hart voorgoed aan hem verloren en daarmee ook de kans op een fatsoenlijk huwelijk met een Javaanse man, want die zou haar nooit meer accepteren. Dat wist ze, dus was ze eigenlijk een huwelijk met Jeffrey voor het leven aangegaan, zij het dan niet wettig. Nu ze samen een kind hadden, had ze wel het gevoel dat hun verhouding niet zomaar iets was en soms, als ze heel eerlijk was, soms vond ze het ook wel jammer dat hij ’s avonds terug moest, naar huis.

Als Jeffrey bij haar binnenloopt treft hij haar in de keuken terwijl ze net een heerlijk ruikende schotel uit de oven haalt.

‘Je ziet er een beetje moe uit goedoe*, wat is er met je?’ Hij zegt niets, is niet van plan zijn probleem te vertellen. Hij loopt naar de ijskast, trekt de deur open en pakt een biertje.

‘Krijg ik geen kusje?’ bedelt ze en gaat voor hem staan. Hij geeft haar waar ze om vraagt en loopt naar het balkon. De lucht waar hij bijna vierentwintig uur mee leeft komt zijn oren, zijn mond, alles uit maar komt ook grommend aan alle kanten op hem af. Hij hapt naar adem. Al waren het maar vijf minuten, vijf kutminuutjes van frisse lucht, zodat hij misschien even de kans krijgt om zijn braakneigingen te overwinnen. Want, dat voelt hij nu heel duidelijk opkomen, hij moet kotsen en niet zo’n klein beetje ook. Hij draait zich om en holt richting wc. In zijn haast het toilet op tijd te bereiken gooide hij zijn flesje bier om en liet een geschrokken kijkende Josie achter zich. Hij blééf overgeven, een hoopje ellende hangend over de rand van het toilet en toen hij eenmaal klaar was liet hij zich half jankend op de vloer zakken.

‘Ik ben gek aan het worden,’ was zijn laatste gedachte. Daarna werd alles zwart. Dat was twee maanden geleden. In die twee maanden heeft hij vaak kotsend over de rand van het toilet gehangen, is nog twee keer flauwgevallen en heeft de lucht totaal bezit genomen van al zijn poriën, al zijn vezels, van zijn hele wezen en is hij helemaal geabsorbeerd door wat door ruikt. Hij lijkt uiterlijk hetzelfde te zijn, maar heeft één nieuwe gewoonte die zijn omgeving en hijzelf nog wel het meest toch wel wat gênant begint te vinden: zijn gesnuffel. Normaal ademen doet hij niet meer, hij snuffelt, wanhopig zoekend naar verse, frisse lucht. In het ziekenhuis heeft hij het stiekem geprobeerd via een zuurstof tank wat fatsoenlijks naar binnen te krijgen maar dat liep op niks uit. Hij werd hier gek van. Zijn werk deed hij niet meer naar behoren, de relaties met zijn beide vrouwen werden hem te zwaar, slapen, urenlang achter elkaar deed hij allang niet meer, dat was eigenlijk sinds dag een al zo en hij had het gevoel dat hij elk moment in zou storten. Dat zou hem niets verbazen en dat verwachtte hij eigenlijk ook wel. Eigenlijk verwachtte hij dat de lucht hem op een dag zo zwaar zou vallen dat zijn lichaam het niet meer aankon en hij gewoon dood zou neervallen. Zomaar, plof, midden op straat zou hij liggen en mensen zouden om hem heen staan, kijkend, wijzend en uit zijn dode lichaam zou er een enorme walm opstijgen van rotte mango’s. In afgrijzen zouden ze wegrennen, gillend, kotsend, hem daar laten liggen terwijl de walm langzaam over de hele stad zou gaan hangen. Dit beeld had zich zo in zijn brein, of wat er dan nog van over was, genesteld dat hij, als hij buiten liep elke stap als de laatste beschouwde en als zijn benen zich dan toch voortbewogen in de richting waarheen hij wenste te gaan, kon hij zich, voor een fractie van een seconde, oprecht opgelucht voelen. De stank was zo allesoverheersend geworden dat hij het voelde kloppen in zijn lichaam als zijn tweede hart en hij probeerde ermee te leven maar kon het gewoonweg niet. Zijn geest verzette zich krachtig tegen dit iets wat gewelddadig bij hem naar binnen was gedrongen, wat hij met zich meedroeg en wat bezit van hem had genomen.

Sandra en Josie vonden zijn gedrag de laatste tijd wel wat merkwaardig maar weten dit aan zijn drukke baan. Hij was wat afwezig ja, maar dat was nog geen reden tot paniek vonden ze. Hij raakte zelf wel in paniek toen Sandra op een ochtend aan hem stond te snuffelen.

‘Wat doe je toch?’ vroeg hij, geïrriteerd.

‘Niks’ zei ze en ging door.

‘Hé, wat grappig,’ hoorde hij haar.

‘Wat is er nou weer grappig?’ snauwde hij, voor wie het leven de laatste tijd weinig grappigs inhield.

‘Je ruikt een beetje naar’ – en het klamme zweet brak hem uit.

‘Nee’, dacht hij, laat ze het niet zeggen en hij voelde zijn tweede hart heviger bonken dan al die weken daarvoor.

‘Je ruikt een beetje naar mango’s. Wat leuk.’

Erg leuk ja’, baste hij en rende naar de badkamer. Mijn God, zover was het dus. Hij was op het punt aangekomen dat mensen hem niet aan zagen komen, niet aan hoorden komen maar hem van afstand al konden ruiken.

‘Hé kerel’, hoorde hij in gedachten Louis al zeggen: ‘hé kerel, ik dacht al, over een paar minuten sta je voor de deur, ik rook je al vanuit de verte.’

Of Josie: ‘ons kleintje heeft de hele nacht gehuild, hij miste je zo toen hij je niet meer kon ruiken.’

Hij staarde naar zijn zwetende gezicht in de spiegel en vroeg zich af of zelfs zijn spiegelbeeld de lucht bij zich droeg. Wat zou hij graag terug willen naar dag één, toen zijn lucht nog een lieflijke scheen vergeleken bij de afgrijselijke walm van nu. Een golf van misselijkheid maakte zich van hem meester en hij braakte huilend van ellende een paar seconden later zijn ontbijt uit.

‘Jeffrey?’ hoorde hij Sandra vanachter de gesloten badkamerdeur, ‘gaat het een beetje met je? Doe die deur open, ik wil erin.’

Jeffrey was niet van plan haar binnen te laten.

Jeffrey voelde langzaam zijn blaas leeglopen en het warme vocht dat via zijn lange, gespierde benen langzaam naar beneden gleed om te eindigen in een plasje bij zijn voeten merkte hij niet op. Hij voelde de stank via al zijn kanalen en zintuigen heviger kloppen dan ooit toen hij trillend naar de hoop kots staarde die in de glanzende witte pot lag en hij overduidelijk de restanten van rotte mango’s kon ontwaren. De stank, die zich met zoveel geweld had samengeperst ergens binnen in zijn schedel en een compacte, zware klont was geworden die hij al weken voelde bonken en kloppen voelde hij op datzelfde moment met een enorme knal tot explosie komen en terwijl hij tijdens zijn val de wasbak met zich meesleurde die met donderend geraas van de muur loskwam hoorde hij heel in de verte Sandra gillen. Zijn hoofd belandde met een misselijkmakend gekraak op de rand van het toilet en op het moment dat hij zijn nek brak en het bloed zijn oren uit spoot en hij in een groteske positie op de vloer belandde voelde hij zich heel even, voor een miljardste van een seconde, intens gelukkig: eindelijk was de stank verdwenen.

*goedoe – schat, lieverd

 

You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can skip to the end and leave a response. Pinging is currently not allowed.

Geef een reactie

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers:

%d bloggers liken dit: